Karma Aforismen

 

Karma Aforismen


door William Quan Judge

 


De volgende aforismen, tezamen met andere, waarvan nu nog geen gebruik zal worden gemaakt, werden mij gegeven door leermeesters waarvan H.P.B. er een was. Sommige van deze aforismen werden opgeschreven, sommige langs andere weg medegedeeld. Mij werd gezegd, dat zij stamden uit handschriften, die nu niet voor het gewone publiek toegankelijk zijn. Elk werd mij voorgelegd, opdat ik ze aan mijn oordeel en verstand zou toetsen. En evenals zij, onafhankelijk van alle gezag, mij juist leken, nadat ik ze ernstig had overwogen, hoop ik, dat zij ook de goedkeuring zullen wegdragen van mijn medewerkers, voor wie ik ze thans openbaar maak.

 

William Quan Judge

 

 

1. Karma bestaat alleen, wanneer er een wezen is, dat het teweeg brengt of dat er de gevolgen van ondervindt.

2. Karma is het herstellen van evenwicht onder gevolgen, die voortvloeien uit oorzaken, waarbij het wezen, op wie en door wie dat herstellen plaatsgrijpt, vreugde of smart ondervindt.

3. Karma is de onwrikbare en onfeilbare neiging in het Heelal om evenwicht te herstellen en deze neiging is onophoudelijk werkzaam.

4. Wanneer dit herstel van evenwicht ogenschijnlijk ophoudt, komt dit doordat op een ander punt, in een andere plaats of brandpunt, een stoornis, die alleen zichtbaar is voor een Yogi, een Wijze of een volmaakt ontwikkeld Ziener, noodzakelijkerwijs moet opgeheven worden; dus is er geen ophouden maar slechts een verborgen zijn.

5. Karma beïnvloedt alle dingen en wezens, vanaf het kleinst mogelijke atoom tot aan Brahmâ. Daar het werkt in drie werelden, van mensen, goden en elementale wezens, is er geen enkel punt in het geopenbaarde Heelal, dat buiten zijn heerschappij valt.

6. Karma is niet aan tijd onderworpen en hij alleen kent karma, die de uiteindelijke tijdsindeling in dit Heelal kent.

7. Voor alle andere mensen is karma in zijn inwezenlijke aard onbekend en onkenbaar.

8. Maar zijn werking wordt begrijpelijk door berekening van oorzaak tot gevolg en deze berekening is mogelijk, omdat het gevolg besloten ligt in de oorzaak en er niet voor in de plaats treedt.

9. Het karma van deze aarde is de combinatie van de handelingen en gedachten van alle wezens van iedere graad van ontwikkeling, die deel uitmaakten van de voorafgaande Manvantara, dat is die stroom van evolutie, waaruit de onze voortvloeit.

10. En daar er onder deze wezens zowel dragers zijn van geestelijke macht en heiligen, evenzeer als ook zwakke en slechte mensen, duurt het bestaan van de aarde langer dan dat van enig wezen of ras, dat haar bewoont.

11. Daar het karma van deze aarde en van de rassen, die haar bewonen, zich te ver in het verleden uitstrekt, dan dat het menselijk verstand tot het begin ervan zou kunnen doordringen, is een onderzoek naar dat begin nutteloos en waardeloos.

12. Karmische oorzaken, die reeds in beweging zijn gezet, moeten hun verloop hebben tot zij uitgeput zijn; dit wil echter niet zeggen, dat men verantwoord is zijn hulp te weigeren aan zijn medemensen en aan alle andere voelende wezens.

13. De gevolgen kunnen tegengewerkt of verminderd worden door de gedachten en handelingen van ons zelf, of van een ander; en de gevolgen hieruit ontstaan vertegenwoordigen de samenstelling en de invloed onderling van al de oorzaken, die hebben bijgedragen tot het voortbrengen van deze gevolgen.

14. In het bestaan van werelden, rassen, volken en individuen kan karma niet werken, tenzij er een geschikt werktuig voor aanwezig is.

15. En totdat zo'n geschikt werktuig gevonden wordt, blijft het karma daaraan verbonden onwerkzaam.

16. Terwijl iemand Karma ondergaat in het werktuig daarvoor geschikt, wordt zijn overige karma niet door andere wezens of middelen uitgewerkt, maar blijft in reserve voor de toekomst; en de tussenpoos, waarin de werking van dat Karma niet gevoeld wordt, brengt geen verzwakking van zijn kracht of verandering van zijn aard teweeg.

17. De geschiktheid van een instrument voor de werking van karma ligt in de zuivere aanpassing en verhouding van het Karma tot het lichaam, het denkvermogen, de intellectuele en psychische natuur, die het Ego voor zijn gebruik in dat leven verworven heeft.

18. Elk werktuig gebruikt door enig Ego in enig leven past bij het karma, dat er door werkt.

19. Veranderingen kunnen voorkomen in het werktuig gedurende een leven, waardoor het geschikt wordt voor een nieuw soort Karma en dit kan op twee manieren gebeuren: a. door intensief denken en door de macht van een gelofte; b. door natuurlijke veranderingen als gevolg van een volkomen uitputting van oude oorzaken.

20. Daar lichaam, denkvermogen en ziel elk op zichzelf de macht van onafhankelijk handelen bezit, kunnen door elk dezer, onafhankelijk van de andere twee, karmische oorzaken uitgeput raken, oorzaken verder verwijderd van - of nader tot - het tijdstip van hun begin dan die, welke door andere kanalen een uitwerking vinden.

21. Karma is zowel mededogend als rechtvaardig. Mededogen en rechtvaardigheid zijn slechts de tegenovergestelde polen van een geheel en mededogen zonder rechtvaardigheid is niet mogelijk in werkingen van karma. Datgene, wat de mens mededogen en rechtvaardigheid noemt, is gebrekkig, dwalend en onzuiver.

22. Er bestaan drie soorten karma: a. nu in dit leven werkende door middel van de geschikte werktuigen; b. dat, wat nu gemaakt of opgestapeld wordt om in de toekomst uitgewerkt te worden; c. karma overgebleven van een vorig leven of vorige levens en nog niet in werking, omdat het verhinderd wordt of door ongeschiktheid van het instrument, dat het Ego gebruikt, of door de kracht van het nu werkende karma.

23. Voor ieder wezen vindt karma drie gebieden van actie: a. het lichaam en de omstandigheden; b. het denkvermogen en het intellect; c. de psychische en de astrale gebieden.

24. Karma overgehouden uit het verleden, of karma van dit leven, kan ieder afzonderlijk of kunnen allebei tegelijk en terzelfder tijd werken in alle drie de gebieden van karmische actie; of er kan op ieder gebied een soort Karma werken, verschillend van dat, wat zich op dat tijdstip uit op de andere gebieden.

25. Het geboren worden in een zeker soort lichaam en het oogsten van zekere soorten van karma is het gevolg van de soort van karmische neiging, die dan overwegend is.

26. De macht van een karmische neiging zal het incarneren van een Ego of een familiegroep van Ego's minstens drie levens lang beïnvloeden, indien geen maatregelen genomen worden om dit te onderdrukken, te verdrijven of tegen te gaan.

27. Maatregelen door een Ego genomen om een neiging te onderdrukken, gebreken uit te roeien en tegen te gaan door het scheppen van andere oorzaken, zullen de macht van de karmische neiging veranderen en haar invloed verkorten, overeenkomstig de kracht of zwakte van de pogingen, gedaan om die maatregelen uit te voeren.

28. Niemand behalve een wijze of een ware ziener kan het karma van een ander beoordelen. Ofschoon dus ieder ontvangt wat hem toekomt, kan de uiterlijke schijn bedriegen; arm geboren worden of zware moeilijkheden ondergaan behoeft niet straf voor slecht karma te zijn, want Ego's incarneren voortdurend in een armelijke omgeving, waar zij moeilijkheden en beproevingen ondervinden, bestemd om hun tucht te leren en daardoor in hen kracht, vastberadenheid en medegevoel te ontwikkelen.

29. Ras-karma beïnvloedt elk individu in en ras door de wet van verdeling. Nationaal karma werkt in op al diegenen, die deel uitmaken van het volk, door dezelfde wet doch meer geconcentreerd. Familie-karma doet zich alleen in een volk gelden waarin families zuiver en sterk afgetekend zijn; want in elk volk, waar dit niet het geval is - wat altijd voorkomt in het tijdperk van Kali-yuga genaamd - wordt het familie-karma gewoonlijk over een volk verspreid. Maar zelfs in zulke tijdperken blijven sommige families gedurende lange perioden een geheel vormen en dan voelen de leden  ervan de invloed van familie-karma. Het woord 'familie' kan verscheidene kleinere families omvatten.

30. Karma brengt cataclysmen teweeg door aaneengeschakelde werking op het mentale en op het astrale gebied. Een natuurramp kan teruggebracht worden tot een rechtstreekse stoffelijke oorzaak, zoals inwendig vuur en atmosferische verstoring, maar deze zijn voortgebracht door verstoring, veroorzaakt door de dynamische kracht van 's mensen gedachten.

31. Ego's, die niet karmisch verwant zijn met dat gedeelte der aarde, waar een cataclysme zal komen, worden op twee manieren buiten de invloed ervan gehouden: a. door afkeer, inwerkend op hun innerlijke natuur en b. doordat zij geroepen en gewaarschuwd worden door diegenen, die over de vooruitgang van de wereld waken.


__________

William Quan Judge was in 1875, naast mevrouw H.P. Blavatsky en Colonel H.S. Olcott, medeoprichter van The Thesosophical Society in New York, U.S.A.. Van zijn hand verschenen een aantal inmiddels klassieke theosofische werken, waaronder bovenstaande Karma Aforismen.

De LotusCirkel
Bewustwording van de Eenheid van al het Bestaande