Boek Online

 

 

In deze rubriek treft u de herziene uitgave aan (online-versie maart 2011) van het boek  

 

Uitzicht door inzicht - Universele Wijsheid, het NU en onze toekomst  

 

door Robert A. Pullen 

 

 

 

 

Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opge­slagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of open­baar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, mi­crofilm, opnamen, of op welke andere wijze dan ook, hetzij chemisch, elektronisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


© 2011 Stichting "De Phoenix" te Breda 

 

Uitzicht door inzicht - Universele Wijsheid, het NU en onze toekomst

 

Uitzicht door inzicht

 

 

Universele Wijsheid,

 het NU en onze toekomst

 

 

door Robert A. Pullen

 

(Tweede herziene internet-uitgave maart 2011)

 

 

 

Voorwoord

 

Hoofdstuk I

De oorsprong van alles

De eerste grondstelling 

Wie en wat is de mens?

Karma en reïncarnatie

 

Hoofdstuk II

Het doel van het bestaan

De mens is een ziel en heeft een lichaam

Universele broederschap

Innerlijke oorlog of vrede

Onwetendheid als oorzaak van veel problemen

De geestelijke en persoonlijke mens

Men kan geen ‘twee heren’ dienen 

 

Hoofdstuk III

Catastrofes en maatschappelijke processen

Het milieu, natuurrampen en 2012

De discussie rond normen en waarden

Het geweld in de samenleving

Innerlijke weerbaarheid en daadkracht in een veranderende wereld

 

Hoofdstuk IV

In het NU te zijn wat je werkelijk bent

De kracht van het NU

The ‘Secret’

Houden van jezelf?

Geen uitzicht zonder inzicht

Anders denken als voorwaarde

Een suggestie voor een dagelijkse oefening

 

HoofdstukV

Het perspectief van Boeddha, Jezus en Krishna

Vrijheid in gebondenheid

De vier edele waarheden en het achtvoudige pad van Gautama de Boeddha

De Bergrede van Jezus van Nazareth

Krishna en de Bhagavad Gîtâ: het Arjuna-perspectief  

Het Innerlijk Licht 

 

Hoofdstuk VI 

Het verleden keert terug in het heden

De karmische erfenis van Atlantis  

Een duurzame mentaliteitsverandering starten

 

Hoofdstuk VII

(R)evolutionaire wetenschap en de nieuwe wereld   

De wetenschap komt tot nieuwe inzichten

De energievoorziening in de wereld 

De macht van het geld en als de dollar valt

NGO’s en de Cradle to Cradle filosofie

Tot besluit

 

 

Voorwoord

 

Sinds onheuglijke tijden heeft de mens, verspreid over en gescheiden door de continenten, in diverse tijdperken met ieder hun eigen evolutie, zowel collectief als individueel, getracht in­zicht te krijgen in zijn bestaan, zijn afkomst en zijn toekomst. Talloze ontwikkelingen op spi­ritu­eel, filosofisch en wetenschappelijk gebied zijn in de nacht der tijden ontstaan om richting te geven aan de ontwikkeling van de mensheid en de haar omringende natuur in de meest uit­ge­breide betekenis van het woord. Goden stonden aan de wieg van een zich ontplooiende mensheid in alle richtingen, zoals verzinnebeeld in de Hindoeïstische, Egyptische en Maya my­thologie. Uit recentere tijden kennen we wereldleraren als Boeddha, Krishna, Jezus en Lao Tse als­mede grote filosofen als Plato, Philo, Confucius en Marcus Aurelius. Grote mannen van de wetenschap zoals Archimedes en Pythagoras, en later o.a. Volta, Copernicus, Newton en Pa­racelsus waren verantwoordelijk voor een grondslag waarin de huidige weten­schap, los van nieuwe inzichten, nog steeds haar wortels heeft. Diverse beschavingen ontston­den met hun specifieke maatschappijvormen, sociale structuren en politieke systemen, hun architectuur, kunst en spirituele beleving, bereikten hun hoogtepunt in al hun kennis en kunnen en kwamen tenslotte in een spiraal van verval terecht om als geschiedenis te worden herinnerd. Tegen deze achtergrond kan terecht de vraag van het hoe, waarom en vanwaar van dit alles worden gesteld. Wat is het doel van het leven? Waarom ontstond het en was alles zoals het was. En waarom is nu alles zoals het is en wat zal de toekomst van de mensheid te zien geven? Wie of wat zijn wij? Wat is onze afkomst en wat is ‘leven’? Waarom hebben zoveel wijze leraren in het verleden de mensheid altijd een spiritueel pad willen wijzen, een pad, dat bij nadere be­studering een universeel karakter heeft. Los van welke geloofsovertuiging dan ook, is dit diepgaande overdenking waard...

 

De Oude Wijsheid stelt dat er een universele oorsprong ten grondslag ligt aan alle spirituele, filosofische en wetenschap­pelijke kennis uit het verleden. Hieruit vloeit voort dat deze drie richtingen in de oudheid onlosmakelijk met el­kaar verbonden waren en de drie aangezichten vormden van één geheel. Wat kan het verleden ons in die context leren met betrekking tot het heden? In onze huidige gecompliceerde maatschappij met al zijn bijzondere verworvenheden, geweldige mogelijkheden op tal van terreinen en grote tech­nologische kennis, schijnen religie, filosofie en wetenschap niets met elkaar gemeen te hebben. Toch vormen zij de fundamenten waarop en waaromheen het hele leven is opgebouwd. Echter door het in afgescheidenheid leven van de Bron waaruit alles is voortgekomen, zien velen het onderlinge verband niet meer tussen alles wat bestaat, wat op den duur desastreuze gevolgen zal hebben...

 

Ondanks de vele positieve kanten die het moderne leven met zich meebrengt, zijn de nega­tieve minstens zo groot, zo niet groter. Niet onterecht waarschuwen velen in onze tijd voor een naderende ondergang van onze huidige wereld als wij het materialistische tij niet keren. We naderen een zogezegd chaospunt, een ‘point of no re­turn’. Het aflopen van de Mayaka­lender in 2012 en de daarmee gepaard gaande voorspelling van grote mondiale ver­anderingen op tal van niveaus, zoals wellicht ongekende natuurrampen rond die tijd, schudt velen wakker. Wat moeten wij doen? Hoe moeten wij tot een proces van verandering komen om een nieuw tijdperk van vrede, stabiliteit en verantwoord leven te creëren?

 

In dit boekje worden in zeven hoofdstukken de grondslagen van de Oude Wijsheid uiteen gezet en de mogelijkheid getoond om deze als een levende werkelijk te ervaren in het NU. Hierbij wordt de oude methode uit de oosterse esoterische traditie gehanteerd om hetzelfde onderwerp steeds vanuit een andere invalshoek te benaderen. Door deze herhaling ontstaat een totaalbeeld van de mens als een geestelijk evoluerend wezen in de wereld waarin hij nu leeft. Het perspectief te worden wat men in werkelijkheid is wordt ontvouwd, om dit uit te dragen naar alles en iedereen in de praktijk van het dagelijks leven en daarmee richting te ge­ven aan onze toekomst.

 

December, 2007

 

*******

 

De Oude Wijsheid is de kennis van de evolutie van al wat leeft en bewustzijn heeft. Deze ken­nis is als een oceaan die zich uitstrekt van kust tot kust, onpeilbaar op zijn diepste ge­deelten, biedt hij aan de grootste denkers een breed terrein van studie, terwijl hij aan zijn kusten toch ondiep genoeg is om het begripsvermogen van een kind niet te boven te gaan.

 

 

- William Quan Judge

 

Hoofdstuk I

 

De oorsprong van alles


De eerste grondstelling

In de eerste grondstelling van De Geheime Leer van H.P. Blavatsky wordt aangegeven, dat er ‘Een Alomtegenwoordig, Eeuwig, Grenzeloos en Onveranderlijk BEGINSEL’ is, ‘waar­over alle bespiegeling onmogelijk is, daar het het menselijk bevattingsvermogen te boven gaat en slechts kan worden verminkt door elke menselijke uitdrukking of vergelijking. Het is bui­ten het gebied en bereik der gedachte en is ondenkbaar en onuitsprekelijk; een absolute Wer­ke­lijkheid die voorafgaat aan alle gemanifesteerd, beperkt zijn’. In de Advaita-Vedânta wordt dit uitgedrukt met het begrip (Para)Brahman, waaruit Brahmâ, Vishnu en Shiva evolueren als res­pectievelijk de Creëerder, de Instandhouder en de Vernietiger van alles wat tot een Man­van­tara, een periode van planetaire of kosmische manifestatie, behoort, inclusief de mens. In deze zeer kernachtige grondstelling ligt de gehele Geheime Leer uit de oudheid besloten, vanaf de pre-vedische tijdperken in India, via de Veda’s en de Vedanta (waaronder de Upanis­haden en de Purâna’s). Vanuit deze eerste grondstelling heeft de leer der Goden, de Godde­lijke Wijs­heid zich via diverse filosofische en religieuze stelsels over zeer lange tijd­perken over de ge­hele aarde verspreid. De echo’s daarvan zijn terug te vinden in de Egyptische en Griekse mysteriën alsmede in de Kabbalah; in Zuid Amerika in de Popol Vuh, het heilige boek van de Maya’s; in Noord Amerika o.a. in het Boek van de Hopi van de Hopi-indianen; in het Westen in het Oude en Nieuwe Testament uit de Bijbel in hun esoterische betekenis (de gnostische in­terpretatie); in apocriefe geschriften alsmede in tal van filosofi­sche en mystieke geschriften van Europese mystici, maar ook in de Scandinavi­sche Edda en in nog vele minder bekende esoterische geschriften, mythen en legenden uit de oudheid over de ge­hele wereld. Iedere religie, godsdienst of filosofisch stelsel uit de oudheid, is een invalshoek om deze grondstelling van de Oude Wijsheid tot uitdrukking te brengen. Hiervan uitgaande kan wor­den gesteld, dat alles een gemeenschappelijke oorsprong heeft en een eenheid in verscheiden­heid vormt. Ieder levend wezen, ieder ding, iedere religie, filosofie of weten­schap, is een facet van het Ene, waar alles uit voort is gekomen. Er is niets ‘buiten’ dit BE­GINSEL, want HET is ALLES. Het is de oorsprong van Tijd, Ruimte en Duur. Deze gedachte is van fundamenteel belang, wil men een totaalvisie opbouwen van waaruit men het bestaan van alles en iedereen kan verklaren en de zin ervan (h)erkent. 

 

Wie en wat is de mens?

Op grond van het voorgaande stelt de Oude Wijsheid dat de mens in eerste instantie een geestelijk wezen is, dat zich door middel van een voertuig (een combinatie van diverse krachten en (fijn)stoffelijke elementen, waaronder het menselijk lichaam) via een proces van in- en evolutie over enorme tijd­perken ontwikkelt van een onbewuste tot een volledig bewuste God. Het huidige menselijk stadium is slechts een fase in die ontwikkeling. De mens is ‘pas’ 18.000.000 jaar oud als een denkend wezen, en heeft zich door middel van het proces van reïncarnatie en de Wet van oor­zaak en gevolg, karma genoemd, ontwikkeld tot wat hij nu is. Het goddelijke in de mens daalt in het begin van een planetaire evolutieperiode via de Wet van zelfwording, de Wet van evolutie en de Wet van karma af in de stof tot precies het mid­delpunt van die evolu­tieperiode, om vanaf dat punt de reis door de stof aan te vangen op weg naar Huis: éénwor­ding met zijn goddelijk Zelf. Met andere woorden, tijdens de eerste helft op zijn planetaire reis involueert zijn innerlijke God in de stof en evolueert zijn stoffelijk voer­tuig, en tijdens de tweede helft, de zogenaamde lichtende boog, evolueert zijn innerlijke God en involueert zijn stoffelijk voertuig. Dit proces voltrekt zich niet geheel automatisch, in die zin dat het niet vanzelfsprekend is dat de mens zijn innerlijke God (weer) zal aanschou­wen. Hij moet dit via de weg van zelfwerkzaamheid, discipline, onpersoonlijke liefde voor al wat leeft en kennis van de Wetten van de Natuur in zichzelf realiseren. Met andere woor­den: hij krijgt het van niemand, van geen God of Goden cadeau, hij moet het verdienen. Hij moet het worden langs het Pad van zelfgeleide evolutie. Dit proces verloopt zeker niet zonder hulp, maar de mens moet zelf de eerste stap zetten. ‘Is de leerling klaar, dan is de meester daar’ luidt een oud gezegde.     

 

Karma en reïncarnatie

Aangezien alles in de Natuur cyclisch is, geldt dit ook voor de mens. Wij kennen de cyclus van slapen en waken, van dag en nacht, van eb en vloed, maar ook van leven en dood. Eigen­lijk zijn de termen ‘leven’ en ‘dood’ niet juist, want het suggereert dat ‘dood’ geen ‘leven’ meer inhoudt, en aan het ‘leven’ een eind komt zodra de ‘dood’ intreedt. Hèt Leven houdt nooit op. Er is altijd Leven - Prâna - om ons heen. Wij baden als het ware in Leven. Het stroomt onophoudelijk door alles en iedereen heen. De dood van het lichaam is slechts een ander aspect ervan. Het brengt ons bewustzijn in een andere toestand, in die van het assimi­leren van alle niet uitgewerkte gedachten van het laatst geleefde leven, zowel de slechte of de zelfzuchtige als de goede of de onzelfzuchtige. Dit wordt bepaald door de Wet van oorzaak en gevolg. Deze zorgt ervoor dat precies datgene na de dood als reactie wordt ervaren wat men als oorzaak tijdens zijn leven in gang heeft gezet. Maar wat is het dat lijdt of vreugde ervaart als een toestand van bewustzijn na de lichamelijke dood? De mens is volgens de Oude Wijs­heid een zevenvoudig samengesteld wezen, waarvan het stoffelijk lichaam slechts één ze­vende deel is en het minst belangrijk. Zoals al eerder gezegd, is de mens in essentie een gees­telijk wezen, een Goddelijke Ziel, het Atman. Het heeft een geestelijk omhulsel, het bud­dhisch kleed zoals dit wordt aangeduid. Deze twee samen, de combinatie Atman-Buddhi, vormen de Monade zoals dit in de Oude Wijsheid wordt genoemd. Dát is wat de mens in wer­kelijkheid is. Alle andere aspecten, zoals zijn lager Manas (het intellectuele en egocentrische aspect van het denkvermogen), Kâma (be­geerteaspect), Prâna (levensbeginsel of vitaliteitsas­pect), Linga-Sarîrah (astraal lichaam en gevoelsaspect) en St­hûla-Sarîra (stoffelijk lichaam) zijn van voorbijgaande aard. Na de dood valt zijn sa­menstelling (tijdelijk) uiteen en gaan alle samenstellende ‘delen’ krachtens hun aard naar hun respectievelijke gebied om te revitalise­ren en zich op te maken voor een volgende incarnatie van de Ziel in een nieuw lichaam. Het hoger Manas (denkvermogen) en de daaraan verbonden onzelfzuchtige en edele gedachten van het laatst geleefde leven, gaan in combinatie met de Monade naar een toestand van be­wustzijn, die we met een christelijke term de hemel zouden kunnen noemen, om daarin een uitermate gelukzalige droom te ondergaan, die tevens als rusttoestand is be­doeld tussen twee aardse levens in. Deze combinatie van Atman-Buddhi-Hoger Manas wordt in de terminologie van de Oude Wijsheid de reïncarnerende Ego genoemd. Het is deze Ego die zich na zijn rust­periode in Devachan, zoals de toestand van de hemelse rust wordt ge­noemd, opmaakt om te­rug te keren naar de aardse toestand om daar een nieuw leven aan te vangen in een nieuw li­chaam, dat hem door de Wet van oorzaak en gevolg krachtens zijn opgebouwde karma wordt verschaft. Vanaf het moment van de dood tot aan de volgende incarnatie voltrekken alle pro­cessen zich automatisch en kan de ziel deze niet sturen, net zomin als men dit met zijn dro­men kan tijdens de slaap. Het leven hier op aarde is de plaats van handeling en oorzaken; de toestanden na de dood zijn gevolgen van het denken en handelen op aarde en daar kan de ziel na de dood van het lichaam geen invloed op uitoefenen. Met andere woorden: het leven op aarde is de actieve toestand van het leven; de toestanden na de dood zijn de passieve kant er­van.

 

*******

 

Daar de liefde tot God ’s mensens hoogste geluk en zaligheid is en het eindpunt en doelwit van alle menselijk streven, is het duidelijk dat slechts hij naar goddelijke wet leeft, die zich beijvert God lief te hebben niet uit vrees voor straf noch ter wille van iets anders, zoals genot, roem enz., maar alleen en uitsluitend omdat hij God kent of (juister gezegd) omdat hij weet dat kennis van en liefde tot God het Hoogste Goed is.

 

- Benedictus de Spinoza

 

Hoofdstuk II

 

Het doel van het bestaan


De mens is een ziel en heeft een lichaam

Waar ligt nu het doel van het bestaan, van alles wat bestaat en in het bijzonder van de mens? De mens is, zoals gezegd, een goddelijk wezen, alleen hij ervaart dit niet. Hij er­vaart geen Buddhisch, maar ‘slechts’ een lager Manasisch bewustzijn dat sterk wordt gekleurd door Kâ­mische invloeden van de persoonlijkheid. Hij is zich, om het zo te zeggen, niet van zich-Zelf bewust. Hij leeft in de toestand van zijn persoonlijk bewustzijn, dat voornamelijk wordt be­paald door de identiteitskenmerken van zijn stoffelijk lichaam en zijn karakter van persoon­lijke aard. De mens zegt: “Ik ben ik”, maar hij zegt niet: “Ik ben mijn Hoger Zelf, en ik heb een lichaam”. De hele planetaire evolutie dient, wat het mensenrijk betreft, om de mens van zich-Zelf bewust te laten worden, het bewustzijn te verwerven van zijn goddelijke aard. Vanaf zijn indaling als Monade als een onbewuste goddelijke entiteit in de stof door talloze trans­formaties heen, van zeer ijl tot zeer grofstoffelijk (het zogenaamde middelpunt in de Atlanti­sche periode); in vele voertuigen van diverse vormen en samenstelling (een proces dat inmid­dels 2.160.000.000 jaar heeft geduurd), is de mens op weg (thans over de helft van de plane­taire evolutie heen) om terug te keren naar zijn goddelijke staat van ZIJN, maar dan als een volledig zelfbewuste God. Dit kan niet worden bereikt alvorens hij heeft (h)erkend dat hij in werkelijkheid een God is, en tot hij aan de voorwaarden heeft voldaan om dit bewustzijn te verwerven. Deze voorwaarden zijn neergelegd in alle ethische geschriften van de grote we­reldreligies, zoals bijvoorbeeld de Bhagavad Gîtâ (hindoeïsme), de Dhammapada (boed­dhisme) en de Bergrede van Jezus van Nazareth (christendom). Wie deze ethische gedragsre­gels nauw­gezet volgt, wordt een ander mens, zijn goddelijke aard deelachtig en een zegen voor zijn omgeving.

 

Universele broederschap

Zoals reeds uiteen gezet, vormt het leven een eenheid. Alles hangt met alles samen, van atoom tot melkwegstelsel en alles daar tussenin. Op grond van de eenheid van al het be­staande vormen alle wezens automatisch een universele broederschap. Broederschap onder de mensen hoeft dus niet te worden gecreëerd of als een organisatie te worden ‘opgericht’, maar is een feit in de Natuur. Het is de levende uitdrukking van ons aller bestaan. Dat wij ons dit niet bewust zijn is een andere zaak, maar desalniettemin is het een feit. Wij moeten ervoor zorgen dat wij op grond van onze innerlijke natuur daar uitdrukking aan gaan geven in het licht van al het bovenstaande. Broederschap dient een vanzelfsprekendheid te worden, en niet iets om te overwegen. Ook dat is altijd de boodschap geweest van de grote leraren der mens­heid door alle tijden heen.

 

Innerlijke oorlog of vrede 

Al sinds mensenheugenis bestaan er slagvelden waar tegenover elkaar staande legers strijden om de macht. Ontelbare veldslagen zijn er geleverd in naam van God, Allah of Goden of in naam van een Vaderland, een Kroon of een leider van een be­paald land. Mensen over de ge­hele wereld zijn bereid geweest (en zijn dit nog) om hun leven te geven voor een van deze zaken, hetzij uit traditie, overtuiging of onwetendheid. Het lijkt een col­lectief ge­ge­ven van alle tijden onder alle denkbare omstandigheden. Hele volksstammen zijn door veroveraars in naam van hun res­pectievelijke God of Goden over de kling gejaagd om hun ‘evangelie’ aan an­deren op te leggen. In onze moderne tijd zijn het godsdienstfanaten en dictators die hun tanks, bommen, explosieven en automa­tische wapens laten spreken om ideologieën te ver­spreiden of hun macht te bestendigen, terwijl een tegenpartij met dezelfde wapens dit weer tracht te voorkomen. Het lijkt wel of er continu, waar ook ter wereld, twee kampen tegenover elkaar staan om elkaar vanuit een be­paalde religieuze of ideo­logische gesteldheid te bestrij­den, zowel op grote als op kleine schaal. Het is een haast ‘normaal’ pa­troon dat wij vrijwel overal waarnemen. En wellicht is dit algemene patroon nog het meest waar te nemen op een nog kleinere schaal, na­melijk in ons eigen dagelijkse leefmilieu zoals het gezin, op het werk of binnen de kring van vrien­den en kennissen, waar vaak meningsverschillen, machts­wel­lust, gekrenkte trots of an­dere gedre­venheden de oorzaak van dit patroon vormen. Maar ook het individu kent deze strijd op het terrein van zijn eigen denken, waar tegengestelde gevoelens en verlan­gens op basis van daaraan gekoppelde denkbeel­den elkaar ‘bestrijden’ om de macht, of, in meer religieuze zin, de innerlijke strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. In meer beschouwe­lijke zin kunnen wij vast­stellen dat er mondiaal en regionaal alsmede op kleine schaal en indi­vidueel een haast vast pa­troon waar te nemen valt dat zich het best laat omschrijven als een voortdurende strijd die zich af­speelt binnen het kader van de ‘paren van te­gen­stellingen’. Deze vor­men, nader beschouwd, een grondslag waarop het hele leven zich afspeelt en zich altijd heeft af­ge­speeld. Het is een patroon dat om her- en erkenning vraagt om het leven in al zijn facetten beter te leren begrijpen en ontraadselen. Paren van tegenstellingen komen wij op ieder niveau van het ‘leven’ tegen, zoals slapen en waken, le­ven en dood, dag en nacht, mooi en lelijk, haat en liefde etc.. Juist hierdoor zijn wij in staat om onszelf en het leven om ons heen te leren kennen door middel van reflec­tie. Men kan niet weten wat goed, mooi of vrede is zonder dat de tegendelen kwaad, lelijk en oor­log daar tegenover staan. De mens heeft een on­derscheidend vermogen dat werkzaam is op grond van het feit dat het leven uit Yin en Yang is sa­mengesteld als op elkaar inwerkende en sa­men­werkende tegendelen, die van nature met el­kaar voor harmonie zorgen, maar in hun onder­linge samenwerking als twee-eenheid worden ver­stoord door het denken van de mens. Het is door deze verstoring dat het hele uiter­lijke leven in al zijn facetten zich als een ‘strijd’ aan ons voor­doet; een continu gevecht tussen ogen­schijnlijk verschillende partijen, maar die in feite niets an­ders zijn dan afspiegelingen en de ui­terlijke manifestaties van de tweespalt in ons denken. Hoe ontstaat dit, wat is de aard van het denken über­haupt, gekoppeld aan de grondslag van het men­selijk bestaan op basis van een spiritueel uit­gangspunt, en waar kunnen de oplossingen wor­den gevonden voor een duurzame innerlijke vrede in onszelf en derhalve in de ui­terlijke wereld om ons heen? De leringen van de Oude Wijsheid ontvouwen een perspec­tief, dat de mens in staat stelt om op basis van in­zicht uit­zicht te creëren en een proces van zelfgeleide evolutie te starten. In de steeds verande­rende wereld van de paren van tegenstellingen, die een deel van zijn eigen wezen is, kan dit leiden tot de transfor­matie van zijn meest innerlijke natuur tot een permanent aanwezige - bewuste - leiding.

 

Onwetendheid als oorzaak van veel proble­men

Psychologen en psychiaters hebben in de (Westerse) wereld volgeboekte agenda’s. Het be­roep dat gedaan wordt op deze deskundigen is enorm, want veel mensen hebben psychische problemen, zijn ’vastgelopen’ in het leven en zien geen uitweg meer. Weer anderen zoeken een houvast, een kompas in het leven om een nieuwe koers te bepalen en antwoorden te vin­den op vele levensvragen, omdat zij de weg kwijt zijn in het woud van theologische dogma’s. Ook lei­den velen een onbevredigend bestaan, ondanks de openheid en vrijheden in met name de Westerse maatschappij, dat vaak wordt gekenmerkt door een onbewuste levensstijl die voornamelijk is ge­baseerd op prikkels en signalen van buitenaf, al dan niet aangevuld met verslavingen zoals drank, drugs, gokken, seks etc.. Het (onbewuste) gemis aan innerlijke sta­biliteit en kennis, leidt maar al te vaak tot een praktisch volledig overgeven aan de haast on­telbare neigingen en gehechtheden van de persoonlijkheid, waarvan velen denken dat zij dit ’zelf’ zijn. Het geen kennis hebben van het ware Zelf, die essentie of dat middelpunt wat de mens in werkelijkheid is, is nagenoeg de oorzaak van alle problemen waarmee men, als een op uiterlijke dingen gerichte, gecompliceerde en vertechnolo­giseerde samenleving, wordt ge­con­fronteerd, zowel individueel als collectief. Het is dan ook een moei­lijke zaak om mensen voor een diepere beschou­wing van zichzelf en het leven als geheel te win­nen. Men is niet op­gegroeid, geschoold en/of ge­traind in filosofisch denken. Het Westen heeft met name de laat­ste twee eeuwen klem gezeten tussen een dogmatische godsdienst en een materialistische wetenschap. Kijkt men naar de huidige maatschappij met zijn ’moderne’ bevolking, dan is er nog niet zoveel veranderd. Religieuze dogma’s en de vele materialistische vi­sies op het leven vormen helaas in grote mate nog steeds de grondslag waarop onze maatschappij is gebaseerd en wordt aangestuurd, ook vanuit de politiek. Met name de medische wetenschap wordt ge­kenmerkt door een vaak zeer materialistische visie op leven en dood en wat men onder ziekte en gezondheid verstaat.

 

Een gezegde luidt: inspraak zonder inzicht leidt tot uitspraak zonder uitzicht. In bijvoorbeeld veel praatprogramma’s op radio en televisie is het niet zelden een Babylonische spraakver­warring. Het lijkt vaak alsof men spreekt over een labyrint, waar de ’uitgang’ via hoofdwe­gen, zijwegen en doodlo­pende wegen nauwelijks of niet te vinden valt. Als men echter zich­zelf en het leven om zich heen wenst te leren kennen van binnenuit, dan is er geen andere op­tie dan kennis op te doen aan­gaande wie en wat de mens is, waarom hij hier op aarde rond­loopt en wat de zin is van ons aller be­staan en de gehele Natuur om ons heen. De Oude Wijs­heid biedt een perspectief om uit het labyrint van de waan van de dag te geraken. Niet als een nieuw dogma van een ‘nieuwe’ religieuze stro­ming of van lieden die denken de waarheid in pacht te hebben, maar door inzicht in de meest fundamentele grondslagen van de Oude Wijs­heid als een levensfilosofie, een Wijsheid die aan alle religieuze stelsels uit de oudheid en het heden ten grondslag ligt, de oer­bron van alle bestaan. Niets meer en niets minder. Het is de mystieke klank, de Grondtoon uit een archaïsch verle­den, door ge­neraties van grote Wijzen verkon­digd voor hen die rijp zijn om te begrijpen, te zien en te horen...

 

De geestelijke en persoonlijke mens

Wil men ooit weten wie men in werkelijkheid is, dan zal men ten eerste tot het inzicht en de (h)erkenning moeten komen dat het leven dualis­tisch is opgebouwd. Let wel: dualistisch in zijn werking of wordingsproces, niet in zijn grond­slag. En derhalve is de mens dualistisch voor zover hij een evoluerend wezen is bin­nen een zeer lange periode van gemanifesteerd bestaan. Wat wordt hiermee bedoeld? De mens, zo leert de Oude Wijsheid, is, zoals eerder gezegd, een samengesteld we­zen. Grofweg kan men zeggen dat hij is samen­ge­steld uit geest en stof. Maar dit is té zwart/wit om op een gedetailleerde wijze zijn ge­compli­ceerde aard te leren kennen, zoals bijvoor­beeld die van het denken als een onafhankelijk deel van zijn sa­menstelling, dat los staat van zijn breinver­stand. De Oude Wijsheid reikt ons een esoterische sleutel aan in de vorm van de leer van de zeven­voudige samenstelling van mens en kosmos. Zij stelt, wat de mens betreft, dat tussen de twee uitersten van zijn samen­stelling (Atman, de goddelijk-geestelijke kern en St­hûla-Sarîra, het stoffelijk lichaam) er nog vijf andere ‘delen’ actief zijn, namelijk het intuïtieve, zuivere weten (Buddhi); het denk­aspect oftewel dat aspect dat in staat is denkbeel­den te creëren (Manas); het begeerteaspect (Kâma); het levens- of vita­li­teitsaspect (Prâna) en het gevoelsaspect, gezeteld in het astraal lichaam (Linga-Sarîra). Het is het stoffelijk lichaam waar­aan men gewoonlijk zijn iden­ti­teit als persoonlijk­heid ontleent zoals bij­voor­beeld Martijn, Joop, Mohammed, Anneke, Fatima, Femke etc.. De mens is echter mens op grond van het feit dat hij een denker is, denkvermogen heeft. Zonder dat aspect is hij geen mens, maar een dier, omdat die­ren geen ontwikkeld denkvermogen hebben. De mens heeft dit aspect, zo leert de Oude Wijs­heid, zo’n 18.000.000 jaar geleden ontwikkeld krach­tens de wet van (esoterische) evolutie en karma (oorzaak en gevolg) waaraan hij onder­hevig was en is. Dit heeft in een mystiek proces in de Natuur geleid tot de ontwikkeling van een machtig vermogen, dat in staat is om bij­voorbeeld een wereld te creëren zoals wij deze heden ten dage om ons heen ken­nen. Want men moet niet vergeten: aan alles wat bestaat is ooit een denk­beeld vooraf gegaan, is door mensen ‘uitgedacht’. Derhalve is de we­reld van de ver­schijnselen een wereld van gevol­gen, waar de wereld van het denken, de wereld van de oorza­ken, aan vooraf is gegaan. Alles wat wij om ons heen kunnen waar­nemen, inclusief onszelf, hebben wij bedacht, is het product of de neerslag van ons eigen denken! En dit bijzondere vermogen tot het produceren van denkbeelden, is een onafhankelijk opererend begin­sel in de mens. Het staat geheel los van het fysieke brein, dat niets anders is dan het voertuig op het uiterlijk gebied. Dat is wat de mens tot mens maakt. Maar Manas kan zich niet recht­streeks op dit uiterlijk gebied mani­festeren. Het heeft daarvoor een aantal an­dere tussenliggende compo­nenten nodig, trans­formatoren zo gezegd, zoals het astraal lichaam en het brein van het grof­stoffelijk lichaam. Tezamen met de univer­sele componenten in een geïndividualiseerde vorm zoals het begeerte- (Kâma) en het levens­beginsel (Prâna), heeft Manas met het astrale en stof­felijke lichaam voertuigen tot zijn be­schikking om zich op het grofstoffelijk gebied te kunnen manifesteren. Al­hoewel het denkaspect in de mens hem maakt tot wat hij is: een menselijk evoluerend wezen, is zijn denken ‘slechts’ een brugfunctie tussen wat hij werkelijk is en zijn la­gere voertuigen. In essentie is de mens een god­delijk-geestelijk wezen, een vonk van de Goddelijke Vlam. Zijn denken is een evolutiestadium, evenals al zijn andere deel­voertuigen. De mens is innerlijk een god, en zo zou hij zich, in overeen­stemming met zijn ware aard, ook moeten gedra­gen. Bedenk wat een enorme geestelijke impuls de wereld als ge­heel zou krijgen als de mens, zijn ware aard be­seffend, dit in al zijn denken en handelen zou uit­dragen naar zijn medemensen alsmede naar de dieren en planten om hem heen. Hoe anders zou men daar­door met duizend-en-één dingen en situ­aties omgaan en het materialisme sterk relati­veren. Want op grond van de goddelijke eenheid van alle wezens, zijn alle mensen broeders in de ware betekenis van het woord en vormen met elkaar een universele broederschap, of zij daar nu uitdrukking aan ge­ven of niet. Deze eenheid is de universele grondslag van alles wat be­staat, in de meest uitgebreide betekenis van het woord.

 

Men kan geen ‘twee heren’ dienen

Wie heeft begrepen wie en wat de mens is en op grond daarvan uit­drukking wil geven aan zijn diepste overtuiging als een geestelijk wezen, komt in conflict met de neigingen en begeerten van de persoonlijkheid. Dit is een natuurlijk proces. De persoon­lijkheid heeft altijd geregeerd vanuit haar eigen koninkrijk, volgens haar eigen, veelal zelfzuch­tige wetten en normen. Nu blijkt dat zij geen be­staansrecht heeft zonder de ware inwoner, de geestelijke kern, dient zij haar koninkrijk op te geven en de leiding ervan te aanvaarden. Voor de persoonlijkheid, ge­heel vervuld van haar eigenheid, is dit een ui­terst moeilijke zaak. Zij is een vat vol tegenstrij­digheden van middelpunt zoe­kende en middelpunt vlie­dende krachten, die voornamelijk, zo niet uitslui­tend, worden voortge­stuwd door ik-gerichte begeerte, zelf­zuchtige neigin­gen en sen­timenten. Deze hoedanighe­den der natuur (zoals zij in de Bhaga­vad Gîtâ worden ge­noemd) leiden een geheel ei­gen leven als zij niet onder leiding ko­men te staan van de inner­lijke natuur van de mens. En aange­zien dit bij de meeste mensen niet het geval is, lijdt deze wereld voortdurend door de onderlinge strijd der opperheerschappij van persoonlijk­heden, met alle uitwassen van dien op alle ni­veaus en op alle continenten. Het is de ergste ziekte waaraan bijna de ge­hele mens­heid lijdt: het koninkrijk van de per­soonlijkheid en de daarmee verbonden illusie van de afge­scheidenheid. De afwezigheid van geestelijk besef en onwetend­heid ten aanzien van zijn ware spirituele aard, verhindert iedere uitdrukking van de le­vende en universele broederschap aller we­zens op basis van onze gezamenlijke geestelijke af­komst. Van­daar de honger in wereld, ziektes, armoede, oorlog, economische ongelijk­heid, Tali­ban contra het Westen, Palestij­nen con­tra Israël, terroristische acties zoals die van 11 september 2001 in de Verenigde Staten etc. etc.. De enige duurzame uitweg uit het dal van al deze el­lende is de weg te gaan die door o.a. Boeddha, Jezus en Krishna is gewe­zen: het pad van zelf­vergetelheid, van liefde voor al wat leeft, van innerlijke vrede en altruïsme, waar geen plaats meer is voor zelfzucht en de heerschappij van de persoonlijkheid. Het pad waar boosheid, afgunst, gierigheid, bezitsdrang en materialistische begeerte afwezig zijn.

 

*******

 

Vele dingen die u bezwaren kunt u als nutteloos opzij zetten omdat zij geheel en al in uw ver­beelding bestaan.  U zult daardoor uw geest ruimte geven om in gedachte het gehele Heelal te omvatten, de oneindigheid van de tijd te bepeinzen en de snelle verandering van elk afzonder­lijk ding te overwegen: hoe kort het tijdsverloop is tussen geboorte en oplossing; de oneindig­heid vóór de geboorte en de even oneindige duur na de oplossing. 

 

- Marcus Aurelius Antoninus

 

Hoofdstuk III

 

Catastrofes en maatschappelijke processen

 

 

Het milieu, natuurrampen en 2012

Men kan de laatste tijd geen krant opslaan of de televisie aanzetten of men wordt gecon­fron­teerd met natuurrampen wereldwijd. Hevige regenval, overstromingen, aardbevingen en tsunami’s hebben recentelijk op tal van plaatsen tot rampzalige gevolgen geleid: onbeschrijf­lijke menselijke ellende en catastrofale gevolgen voor de infrastruc­tuur, de economie en het sociale leven. Velen hebben al hun persoonlijke eigendom­men verloren zien gaan, hebben doden te betreuren en zijn alles kwijt wat ze ooit hebben op­ge­bouwd. Een hele samenleving moet tot een vergaande heroriëntatie komen van het dage­lijks leven in een totaal veranderde situatie. Dit werkt zeer diep door in de psychische natuur van men­sen. ­­De vraag in al deze situaties is in hoeverre het de mensen aan het denken zet waarom in toene­mende mate dit soort natuurrampen ook plaatsvinden in gebieden, die tot voor kort niet of nauwe­lijks werden geconfronteerd met dergelijk natuurgeweld. Hoe ontstaat daar bijvoorbeeld de extreem hevige regenval van de laatste tijd of tegenovergesteld, extreme droogte, met, zoals bekend, rampza­lige gevolgen? Het is geen geheim dat er al jaren wordt gesproken over vele vormen van ern­stige milieuver­ontreiniging, met grote gevolgen voor het klimaat op aarde. De aantasting van de ozonlaag door de uitstoot van CFK’s (‘ozonvreters’), het aanhoudend kappen van oerbos­sen in Azië, Zuid-Amerika en Afrika alsmede de uitstoot van vele soorten industriële gassen, waaronder CO2, creëert een broeikaseffect, waardoor de temperatuur van de lucht en het zee­water langzaam begint te stij­gen. Dit heeft als gevolg dat grote stukken poolijs beginnen te smelten en dit smeltwater het niveau van de wereldzeeën doet stijgen. Aangezien de ecologi­sche en klimato­logische systemen van de aarde met elkaar in verbinding staan, heeft dit grote gevolgen voor alle vormen van leven op aarde. Allerlei milieuconferenties die de afgelopen jaren zijn gehouden, hebben niet kunnen voorko­men dat met name de Verenigde Staten ge­woon zijn doorgegaan met het produceren van milieugevaarlijke stoffen en er derhalve geen enkele rem was en is op de uitstoot van met name CO2. Ook de vervuiling van het milieu door arme landen en het kappen van grote gebieden regenwoud op aarde wordt nog nauwelijks tegengegaan. Maar in hoeverre kunnen wij dit met name de arme landen kwalijk nemen? In hoeverre zijn zij in staat om dit enorme pro­bleem op te lossen als het rijke Westen hun grond­stoffen en bomen nodig heeft en deze kopen met harde valuta’s, die voor hun vaak zwakke economie van vitaal belang zijn? Het machtigste land ter wereld, de Verenigde Staten, heeft destijds geweigerd het Kyoto-protocol te ondertekenen, omdat het de Amerikaanse economie zou ‘schaden’. Uiteindelijk hebben de Verenigde Staten zich op 15 december 2007 tijdens de milieuconferentie op Bali met veel moeite aangesloten bij de consensus om in 2012 een nieuw wereldwijd akkoord te ondertekenen dat het Kyoto-protocol moet gaan vervangen. Over dit nieuwe akkoord moet tot en met 2009 worden onderhandeld zoals tussen de deelnemende landen, inclusief de VS, is afgesproken.   

 

De vraag is: wat is het verband tussen al deze zaken en is er een algemene oorzaak aan te wij­zen die aan dit alles ten grondslag ligt? Bestaat er misschien een samenhang tussen het denken van de mens en de ecologische, klimatologische en geologische processen op aarde? Is de werkelijke oorzaak van grote natuurrampen zoals aardbe­vingen, overstromingen, vulkaanuit­barstingen en vloedgolven (tsunami’s) te begrijpen en te voorkomen? De Oude Wijsheid heeft een antwoord op deze vragen, mits men bereid is om onbevooroordeeld en vrij van ieder poli­tiek en religieus dogma de problemen in kaart te brengen en te analyseren aan de hand van de Wetten van de Natuur. Daarbij staan vanuit de Oude Wijsheid vier uitgangspun­ten centraal: (1) De eenheid van alle leven in welke vorm dan ook, inclusief de mens; (2) het denken van de mens als een sterk beïnvloedende kracht op alle processen in de natuur en de daaruit voort­vloeiende verschijnselen in de uiterlijke wereld; (3) de Wet van oorzaak en gevolg (karma) en (4) de Wet van wederbelichaming (reïncarnatie). Laten wij eens zien hoe vanuit die bena­de­ring een en ander verklaard zou kunnen worden.

 

Het zelfzuchtige collectieve denken als verstorende kracht in de natuur

Het zelfzuchtige collectieve denken van de mens is de verstorende kracht achter de ontregelde ecologische, klima­tologische en geologische processen op aarde. Het beïnvloedt deze proces­sen die met de be­wegingen rond breuklijnen (verschuivingen van o.a. continentale plateaus) in de wereldzeeën en de atmosfeer te maken hebben in negatieve zin. Als zodanig is het direct verantwoordelijk voor het uit­monden van be­paalde processen in grote natuurrampen van we­reldomvang. Het denken is een enorm ver­mogen tot het produceren van elektromagnetische energie dat denkbeelden kan creëren, samengesteld uit elemen­tale wezens, die krachtens de impuls van hun ‘schepper’ deze geladen krachten in beweging zetten. Achter de wil staat echter de begeerte. Zijn gedachten onzelfzuchtig en worden zij gecreëerd met onpersoonlijke begeerte om altruïstische daden te verrichten, dan werken zij als een regenerende kracht en zorgen voor harmonie in de natuur. Is het tegenovergestelde het geval, dan worden zij een destructieve kracht en ontstaat er disharmonie. Aangezien de Oude Wijsheid een ho­listische visie geeft op de mens en zijn omgeving, is de mens derhalve onlosmakelijk verbon­den met alles om hem heen. Sterker nog: hij is die omgeving zelf! Hij is er één mee! Hij is de aarde! De aarde, Gaya, is een levend wezen, en volgt de impulsen van het collectieve denken, zowel positief als negatief, van de mens als geheel, juist zoals ons lichaam de impulsen volgt van ons individuele denken. Daarom hebben wij als denkende wezens een enorme verantwoorde­lijkheid ten opzichte van elkaar en de ons omringende natuur. Wij zijn scheppers, primitieve goden, die de hele dag bezig zijn onze eigen wereld te ‘scheppen’. Daar staan de bewegingen in het binnenste der aarde, de bewegingen in de we­reldzeeën en in de verschillende luchtlagen ten nauwste mee in verband. Zij volgen als het ware de impulsen van hun ‘opdrachtgever’, het collectieve denken van de mensheid, en volgen ge­heel in over­eenstemming met de kwaliteit ervan de richting die wordt aangegeven. De mens is dus indivi­dueel en collectief de voltrek­ker van zijn eigen lot. Grote aardbevingen, vloedgol­ven, vulkaanuitbarstingen en hevige slag­regens (en derhalve overstromingen), zijn de voltrekkers van het lot dat de mens over zichzelf uitroept. Dit is geen straf, opgelegd door een god of go­den voor ‘verkeerd gedrag’, maar Wet. Het is de werking van de Wet van oorzaak en gevolg. Men krijgt wat men zelf heeft veroor­zaakt in één van zijn vorige levens of een combi­natie daarvan, zowel individueel als collec­tief. Niets meer en niets minder. Aangezien de overheer­sende mentale gesteldheid van een groot deel der mensheid heden ten dage veelal wordt ge­kleurd door de zucht naar macht, ma­teriële goederen, geld, seks en een sterk egoïstisch karakter heeft, laten de gevolgen daarvan zich raden. Een materieel rijk en relatief klein percentage van de wereldbevolking toont een ongebreideld en verkwistend verbruik van grondstoffen in de hoogste versnelling. Grote ge­bieden regenwoud worden gekapt zonder verantwoordelijkheidsgevoel. Er is wereldwijd een geweldige mi­lieu­vervuiling op zeer veel terreinen, evenals uitbuiting van de armen door de rijken en honger, ge­weld en oorlog. Op een wereld die overwegend zo leeft, volgt als reactie geen ‘bloemetjesparadijs’, maar eerder een ‘apocalyptisch’ inferno van wellicht ongekende omvang. De voortekenen ge­ven in ieder geval aan dat er ‘zwaar weer’ op komst is. Wie de rapporten leest van diverse des­kundigen en goed om zich heen kijkt, kan haast niet tot een andere con­clusie komen dan dat er de komende jaren heel wat op ons af zal komen. Moeten wij daarom maar afwachten, niets doen en uitkijken naar de ‘bestraffende roede’? Geenszins! Wat wij in het verleden hebben veroorzaakt, zal zijn gevolgen krijgen, zowel wat het goede als het kwade betreft. Ge­dane zaken nemen geen keer. Maar iedere dag is een dag met nieuwe kansen, met nieuwe mogelijk­heden. Wie zijn denken verandert, verandert zijn leven. Als men zich hierbij laat leiden door zijn hogere natuur, door zijn geestelijk Zelf, zal de kwaliteit van onze hande­lingen worden ge­kleurd door altruïsme, zelfvergetelheid, liefde voor al wat leeft en een afwe­zigheid van alle kleinpersoonlijke karaktertrekjes. Dat zal misschien nog in dit, maar zeker in volgende levens tot overeenkomstige gevolgen leiden en langzaam maar zeker de wereld om­vormen tot een aards paradijs, waar de tegenstellingen met elkaar in harmonie zijn en waar gerechtigheid en Wet heersen op basis van liefde, geworteld in het besef van de een­heid van al het bestaande. Dit is geen vage ‘esoterische dromerij’, maar een werkelijkheid op basis van het consequent meewerken met de Wetten van de Natuur, die altijd naar harmonie streven. Het oude spreek­woord luidt: Verbeter de wereld en begin bij jezelf. Laat men dit dan ook doen. Laat men in het denken afstand doen van al zijn bezittingen en zijn ‘schatten in het Koninkrijk der Hemelen verzamelen waar noch de mot noch de roest ze verteren’. Laat men van zijn goe­deren een ge­bruiker worden en geen bezitter, een goed rentmeesterschap betonen, en laat men er niet aan hechten. Laat men tevens proberen om duurzame goederen te produce­ren met zo min mogelijke schade voor het milieu. Laat men een economische orde scheppen die niet meer afhankelijk is van de hoeveelheid geld die men heeft, maar wordt geïmpulseerd door de wil om goed te doen in de geest van broederschap en een onvoorwaardelijke liefde voor alles en iedereen. Dát is wat deze we­reld werkelijk nodig heeft. Liefde en oprechte zorg voor elkaar, het elkaar bena­deren als broe­ders en zusters in het besef van de geestelijke een­heid van alle mensen. Komen tot een her­waardering van wat wezenlijk belangrijk is en het opnieuw inrichten van ons leven door nieuwe inzichten, gebaseerd op kennis van de Wetten van de Natuur. Wie zo leeft hoeft geen aardbe­vingen en andere natuurrampen te vrezen, want hij beseft dat niets toevallig komt en aanvaardt het leven zoals het zich aan hem voordoet. Maar voor de verre toekomst zaait hij geen zaden meer die kunnen leiden tot catastrofale na­tuurrampen, omdat er niets meer door de Natuur karmisch te corrigeren valt, want alles is in harmonie. Derhalve hoeft men ook niet te vrezen voor het einde van de Mayakalender in 2012. Ongetwijfeld geeft deze het einde van een belangrijke cyclus aan in de geschiedenis van de mensheid. Ongetwijfeld zullen er dingen op ons afkomen zoals hierboven is besproken. Maar angst is een slechte raadgever, en de mens heeft het in zich om zijn eigen lot te bepalen. Vandaar dat het van groot belang is dat men leert leven in het NU!

 

De discussie rond normen en waarden

Als men het heeft over normen en waarden, zal men eerst moeten vaststellen wat men daar precies mee bedoelt. Wat is bijvoorbeeld een ijkpunt om een norm vast te stellen? En als men over waarden spreekt, op grond waarvan kan men deze definiëren en waaraan zijn zij te rela­teren? Vanuit de Oude Wijsheid zou men kunnen zeggen dat normen en waarden voortvloeien uit een ethisch besef van de heiligheid van het leven, dat ontstaat door een diep en bewust doordrongen zijn van de grondslagen daarvan in de meest spirituele betekenis van het woord. Op basis hiervan zou men alle normen kunnen omschrijven als toegepaste ethiek, die men voor zichzelf tot plicht en wet heeft gemaakt bij het denken en handelen in de praktijk van het dagelijks leven. Aan waarden zou men de omschrijving kunnen geven zoals die in het Van Dale groot woordenboek als voorbeeld wordt omschreven: dat alle waarden in verband beho­ren te staan tot de hoogste en alomvattende waarde, die de religie kent (v.d. Leeuw). Want de aangehaalde zin van Van de Leeuw in de Van Dale geeft aan dat iedere ethische waarde her­leid dient te worden tot de hoogste en alomvattende waarde die de religie kent, en dat is de eenheid van al het bestaande, op grond waarvan universele broederschap een feit is in de Na­tuur. En juist op basis van die waarde, van dat ethisch besef, dient men zich waardig in zijn denken en handelen te gedragen in de maatschappij. Dan zijn bijvoorbeeld de Tien Geboden uit de Bijbel geen opgelegde geboden meer, maar normen die een logisch gevolg zijn van een ethische waarde in het besef, dat alle mensen broeders en zusters zijn op basis van hun ge­meenschappelijke geestelijke oorsprong. Dit samen met kennis van de wet van oorzaak en gevolg (karma) en de wet van wederbelichaming (reïncarnatie), wordt het leven tot een vreugde en is er geen enkele reden meer om elkaar te bestelen, te mishandelen of welke vorm van misdaad dan ook te begaan. Hoogstaande normen en waarden vinden per definitie hun oorsprong in een spiritueel uitgangspunt. Tegen een ‘fietsendief’ of een ‘witte-boorden-crimi­neel’ zeggen dat hij niet mag stelen omdat dit ‘fout’ is, is te simpel en naïef. Men moet be­grijpen waarom men niet moet stelen op basis van de uitgangspunten zoals zojuist beschre­ven. De onwetendheid ten aanzien van deze feiten en wetmatigheden in de Natuur moet wor­den weggenomen, waardoor men gaat inzien op grond waarvan men tot een nieuw normbesef en een nieuwe ethiek moet komen. Normen en waarden zijn voor velen clichés geworden en holle klanken, omdat zij niet (meer) zijn geworteld in een spiritueel mens- en wereldbeeld. Daarom vervagen zij en zijn het voor velen slechts woorden en geen levende werkelijkheden meer. De Oude Wijsheid biedt mensen een perspectief om normen en waarden weer hoog in het vaandel te dragen en er naar te leven, omdat zij de instrumenten zijn van een hoogstaande ethiek, die zijn wortels heeft in een wezenlijk besef van het hoe, waarom en vanwaar van de mens en het leven in zijn algemeenheid.

 

Het geweld in de samenleving

Waar ligt toch de oorzaak van het zin- en tomeloze geweld? Niet alleen in onze nog redelijk geordende en beschermde Nederlandse maatschappij, maar ook elders in de wereld, op plaat­sen waar een mensenleven vaak niet of nauwelijks telt. In een maatschappij waar velen ethi­sche normen en waarden met voeten treden en bij wie geen her-innering meer is aan wat en wie een mens in het diepst van zijn wezen is; waar uiterlijke zaken en grof materialisme in het denken en handelen de maatstaven zijn waarmee alles en iedereen wordt gemeten, kan men niet verwachten - van hoog tot laag - dat men een visie heeft gebaseerd op een werkelijk in­zicht in de ware aard en bestemming van de menselijke ziel in relatie tot zijn persoonlijkheid en lichamelijk bewustzijn. De Oude Wijsheid laat zien dat een inzicht in de ware aard van de mens de middelen kan verschaffen waarmee de geweldsspiraal doorbroken kan worden. De oorzaak van alle ellende, immoreel gedrag en geweldsuitspattingen op deze aardbol is gelegen in het feit, dat het denken van velen is verduisterd door de uiterlijke schijn en men nooit heeft geleerd de mens te zien vanuit het standpunt van dat wat hij in werkelijkheid is: een eeuwig goddelijk-geestelijk wezen in een tijdelijke, lichamelijke behuizing. De oorzaken van het we­reldwijde geweld kunnen alleen worden weggenomen als men bereid is kennis te nemen van het doel van het leven dat beschreven staat in de grote religieuze geschriften uit de oudheid. Onmiskenbaar hebben de grote wereldleraren de mensheid in alle tijden gewezen op de Weg, de Waarheid en het Leven, maar helaas zijn zij maar al te vaak een roepende in de woestijn gebleken...

 

Innerlijke weerbaarheid en daadkracht in een veranderende wereld  

De opkomst van de islam in Nederland wordt door velen gevreesd. Waarom? Het is wellicht niet de islam die men vreest, maar hen die daar op een uiterst dogmatische wijze vorm aan geven en derhalve een bedreiging vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de vrije le­vensstijl die de autochtone Nederlander is gewend. Is deze vrees terecht? Ja en nee. Ja in de zin dat ieder autochtone en allochtone Nederlander de grondwet dient te respecteren, met name artikel 1. Dit eerste artikel zegt dat er geen onderscheid mag worden gemaakt op grond van geloof, geslacht en ras en waarborgt vrije meningsuiting. Als mensen deze waarden aan hun laars lappen omdat zij denken dat hun religieuze overtuiging de enige juiste is en dat iedereen die daar anders over denkt inferieur is, dan is dit een uiterst kwalijke en verwerpe­lijke zaak. Zij vormen dan terecht een bedreiging voor deze hoogstaande waarden in de Ne­derlandse grondwet. Nee echter in de zin als de opvattingen van de autochtone en allochtone Nederlander zijn geworteld in een religieuze overtuiging die tolerantie voorstaat ten opzichte van andersdenkenden en deze houding kalm en vastberaden uitdragen. Dan dient men als voorbeeld, en dit is uiteindelijk het beste wapen om zich tegen intolerantie van religieuze fa­natici, van welk geloof dan ook, te verdedigen.

 

Harde confrontaties zullen ons wellicht te wachten staan met fanatiek andersdenkenden met heel wat minder tolerantie dan wij in de afgelopen decennia gewend zijn geweest. Juist in die moeilijke situaties zal de wezenlijke waarde moeten blijken van een spiritueel mens die zijn leven baseert op de uitgangspunten van de Oude Wijsheid, door waar hij voor staat en wat hij is. Het zal van allen die zich hierop baseren grote stuurmanskunst vergen om op te boksen tegen vooroordeel, misschien zelfs haat, onwetendheid, blind fanatiek geloof en een zeer lage tolerantiegrens. De belichaming worden van de ethiek van de Oude Wijsheid zal de beste be­scherming zijn en een grote neutraliserende kracht genereren in de komende periode, waar allerlei actieve, tegengestelde krachten soms hevig zullen botsen. Geen deelgenoot worden van de partijen die botsen, en toch met alle verbonden zijn. Harmoniseren door middel van gedrag en uitspraken die verzoenen in dat wat verbindt, en niet wat scheidt.

 

*******

 

Wat een mens voor zijn gemeenschap waard is, hangt af van de mate waarin zijn voelen, den­ken en handelen gericht is op de bevordering van het welzijn van andere mensen.

 

 

- Albert Einstein

 

Hoofdstuk IV

 

In het NU te zijn wat je werkelijk bent  

 

 

De kracht van het NU

De kracht van Eckhart Tolle’s boek De kracht van het NU begint al met de titel. Terecht gaat het om de kracht van NU. Het verleden is, evenals de toekomst, een toestand van bewustzijn en in tijd gemeten een illusie. Tijd op zich is fictie. Hangen aan herinneringen uit het verle­den, het verleden als het ware afdraaien als een film in ons denken en daar gevoelens mee oproepen zonder er iets mee te doen, ‘to live your life in the dreams of yesterday’, leidt tot niets. Het verleden oproepen in het denken en op het uiterlijk gebied door middel van beeld, geluid en boeken om er van te leren en met deze lessen te leven in het NU, is een andere zaak. De geschiedenis en onze herinneringen aan dat wat is geweest te gebruiken als een reflectie om in het NU te kunnen leven, is een zinvolle aangelegenheid. Het gaat om het NU. Het te beleven als een eeuwig durend moment waarin het verleden en de toekomst samenkomen, is eigenlijk het ondergaan en ervaren van wat wij de werkelijkheid kunnen noemen. Buiten het NU is er niets dat bestaat. Het verleden is voorbij, en de toekomst heeft zich nog niet aange­diend. Maar zowel verleden als toekomst bestaan als zodanig niet, omdat zij in de tijd geme­ten alleen als een geheel bestaan, een continuïteit, waarin zij beide samenkomen in het mo­ment NU. En het is tijdloos, omdat het niet aan iets kan worden afgemeten waarbij de factor tijd kan worden gehanteerd. Ons oriëntatiepunt van tijd wordt bepaald door een wiskundige berekening wat betreft de omloop en de ‘snelheid’ van de baan die de aarde om de zon trekt. Deze ‘tijd’ ligt volkomen anders bij de andere planeten binnen ons zonnestelsel, omdat de omtrek van hun baan om de zon alleen maar te vatten valt binnen het kader van ons tijdsbesef dat is gekoppeld aan wat wij allen op deze planeet daaronder verstaan. Derhalve is het mo­ment NU de enige reële beleving binnen het kader van ons tijdsdenken. Uitgaande van dit besef zou men moeten trachten ieder moment erin te leven, iedere seconde van het leven erin aanwezig te zijn op een bewuste wijze. Wie zich in die aanwezigheid bewust is van het leven als een continuïteit, waarin verleden en toekomst samenkomen als een geheel in het moment NU, kijkt anders tegen het leven, zijn medemens en zijn leefomgeving aan. Want vanuit die beleving en het besef dat het Leven in zijn totaliteit een eenheid is, ligt alles in elkaars ver­lengde, is ieder deel van het leven een afspiegeling van het geheel. Alles is elkaars hologram. In ieder deel van het geheel komt het geheel weer terug. Deze totaalervaring van tijdloosheid en eenheid als een bewuste ervaring kan men een kwantumsprong in bewustzijn noemen en is alles overstijgend. Dan krijgen ook de ethische voorschriften van de grote wereldleraren en het begrip universele liefde voor al wat leeft een heel ander karakter. Het worden dan natuur­lijke neigingen die inherent zijn aan de geestelijke vreugde in het ervaren van de eenheid van het Leven.

 

The ‘Secret’  

Het geheim zoals het wordt voorgesteld in het gelijknamige boek The Secret van Rhonda Byrne, is niet zo ‘geheim’ als men doet voorkomen. Men is wat men dacht en men wordt wat men denkt. Met andere woorden: wat de mens heden ten dage is, is in feite het resultaat van zijn geschiedenis als een denkend wezen. Vele miljoenen jaren heeft het wezen dat wij mens noemen zich evolutionair als een denker ontwikkeld. Wat hij nu is, is het voorlopige eindre­sultaat van deze enorme ontwikkeling. Het denken in de mens is een groots vermogen. Het is - letterlijk - in staat een hele wereld vorm te geven. Dat is ook wat er is gebeurd. De wereld om ons heen is opgebouwd uit de neerslag van gedachtekracht. Alles wat we waarnemen op het uiterlijk gebied is het resultaat van wat mensen collectief hebben gedacht, ver terug in de tijd tot en met de dag van vandaag. In het boek The Secret staat dat alles wat je wenst gecre­ëerd kan worden. Alles is te visualiseren. Als zodanig heeft het boek gelijk. Maar alhoewel ieder mens vrij is om te denken wat hij wil, is het denken niet vrijblijvend. Iedere gedachte die wordt gedacht, brengt verantwoordelijkheid met zich mee en heeft gevolgen. Is een ge­dachte zelfzuchtig, dat wil zeggen dat een gedachte wordt gedacht ter bevrediging van de wensen van de persoonlijkheid, dan zullen de karmische gevolgen daarvan op enigerlei wijze in dit, het volgend of een volgend leven moeten worden ondergaan. Ieder mens wordt kar­misch ter verantwoording geroepen voor wat hij denkt en heeft gedacht. Spiritueel ethisch gezien kun je grote vraagtekens zetten bij het waarom je maatschappelijk succes, geld en ma­teriële goederen zou willen ‘visualiseren’. Dat dit mogelijk is wil nog niet zeggen dat het wenselijk is. Iemand die bezig is de wens te koesteren (en de wens is de vader van de ge­dachte!) om geld en goederen op een eerlijke manier te bemachtigen om daar anderen mee te kunnen helpen die door het lot minder bedeeld en hulpbehoevend zijn, is een edele zaak. Voor jezelf een sportwagen of een Rolex-horloge willen visualiseren is toch duidelijk van een an­dere ‘kwaliteit’. De maatlat waarmee de grote Wet in de Natuur meet kent eigenlijk maar één toets: zelfzuchtig of onzelfzuchtig. Denk en doe je iets in het leven ter bevrediging van de eigen persoonlijkheid, zowel individueel als collectief, waar anderen schade van ondervinden, of denk en doe je iets dat een individu of het algemeen welzijn van mens en milieu ten goede komt. Op grond hiervan kan een ieder voor zichzelf uitmaken waar hij of zij in het leven staat en waar men mee bezig is. Eenvoudig en simpel. The Secret is dat wie zijn leven altruïstisch leidt aan de hand van spiritueel ethische principes voor het welzijn van al wat leeft, vanzelf­sprekend een meer geestelijk bewustzijn zal ontwikkelen en langzaam de persoonlijkheid zal overwinnen. Zoek eerst het Koninkrijk der Hemelen en al het andere zal u worden toegewor­pen...

 

Houden van jezelf?

Het is een veelgebezigde en gevleugelde uitspraak in de wereld van ‘new age’-therapeuten en de overtuiging van veel new agers: je moet leren houden van jezelf! Want wie niet van zich­zelf houdt, kan ook niet van anderen houden. Op grond van die houding kun je mild worden naar jezelf, niet meer zo streng, want ‘je mag er zijn’! Je mag je fouten hebben, je mag je (seksuele) begeerten hebben. Wat is echter ‘houden van’ en wat is dat ‘zelf’ waar wij volgens sommigen van moeten houden? Heeft men het over het persoonlijk zelf, het individuele zelf of het Hoger Zelf, respectievelijk het samenstel van de lagere krachten in de mens, de indivi­duele menselijke ziel of de geestelijke Kern? Het is toch moeilijk voor te stellen dat een mens van datgene moet leren houden wat hij in werkelijkheid niet is: een samenstel van krachten en begeerten, die de neiging vertonen om hem omlaag te trekken, volkomen ik-gericht zijn, ver­vuld van egoïsme en allerlei andere weinig verheffende eigenschappen. Met andere woorden: de persoonlijkheid, afgeleid van het Latijnse personæ, dat ‘masker’ betekent, het masker dat de werkelijkheid verbergt, het omhulsel van wat wij werkelijk zijn. Of bedoelt men misschien het individuele zelf, de menselijke ziel, daar waar het denkvermogen (Manas) zetelt, dat de brug vormt tussen dat wat de mens werkelijk is, zijn geestelijk Zelf, en het samenstel lagere componenten van de totaliteit van zijn wezen, kortom de persoonlijkheid? Of bedoelt men toch het geestelijk Zelf? Maar, wie houdt dan van wat? Moet de persoonlijkheid, ons ik-be­wustzijn, dan van haar geestelijk Zelf (leren) houden? Door te stellen dat ‘je van jezelf moet leren houden’ zonder deze nuance aan te brengen, geeft men aan dat men wellicht de per­soonlijkheid bedoelt, voor de meeste mensen de meest geliefde en herkenbare identificatie met ‘zichzelf’, en geeft men een legitiem brevet af aan de persoonlijkheid om van zichzelf te mogen houden, als voorwaarde om dan pas van anderen - persoonlijkheden - te kunnen hou­den. Zo creëert men voor zichzelf een legitimiteit om de neigingen van de persoonlijkheid goed te praten, er een excuus voor te hebben door het ‘een plek te geven’, een eveneens ge­vleugelde ‘new age’-uitspraak. Dit alles is zó in tegenspraak met de zelfvergetelheid die vele wijsheidstradities onderwijzen, waarbij de nadruk wordt gelegd op het niet cultiveren van de persoonlijkheid, maar op het overwinnen ervan door middel van de inspanningen van het in­dividuele zelf (het denkvermogen, niet te verwarren met het breinverstand), om tenslotte hart en denken uitsluitend te kunnen richten op onze geestelijke Kern, ons ware Zelf, en van daar­uit het leven op aarde te beschouwen en te leven. Een voorwaarde daarbij is om nimmer eerst van jezelf te leren houden, wat iets anders is dan eerst jezelf te leren kennen. “Mens, ken Uzelve” is het gebod, dat stond vermeld op de oude tempel in Delphi, maar niet “Mens, houd van Uzelve”.

 

Door de kennis van het Zelf, onze innerlijke God, beseft men wie men is en ieder ander mens, en zal men van anderen houden op grond van wat zij in werkelijkheid zijn en niet wat zij schijnen te zijn. Dit is een liefde die in de Geest is geworteld en niet in de persoonlijkheid. Deze Geest hoeft niet ‘zichzelf’ te leren liefhebben, want Hij is liefde, het is Zijn natuur, Zijn wezenlijke aard! Hij weet zich Eén met ieder ander levend wezen en hoeft dat niet te ‘leren’. Ziehier de verwarring die ontstaat door het ‘advies’ om te ‘leren houden van jezelf’.

 

Er zijn echter mensen met een uiterst negatief zelfbeeld op grond van een vaak liefdeloze en/of problematische jeugd, of door hun geloof van waaruit hen altijd is voorgehouden dat zij ‘zondige schepsels’ zijn. Om dan langs therapeutische weg je eigenwaarde terug te vinden, het besef dat je ‘bestaat’ en jezelf te leren accepteren zoals je op dat moment bent, is een ge­heel andere zaak. Je kunt niet iets leren of afleren als je niet eerst accepteert dat je op dit mo­ment bent die je bent, met al je mooie en lelijke kanten, ook al is de persoonlijkheid vanuit een spiritueel standpunt gezien een illusie. Maar verschillende therapeutische methoden om ‘jezelf’ te vinden en te accepteren, om te zien dat je bent die je bent, zonder dit negatief te stickeren, wordt door sommigen gebruikt om de gedachte te verkondigen dat je moet leren houden van dit ‘zelf’, dat dit de voorwaarde is om van anderen te kunnen houden, niet we­tende wie of wat zij nu bedoelen binnen het kader van de menselijke samengestelde constitu­tie.

 

Om anderen lief te hebben gaat niet de voorwaarde vooraf om eerst jezelf te moeten liefheb­ben. Zeker, je moet geen hekel aan jezelf hebben, net zomin dat je geen neiging moet hebben om jezelf te vernederen en jezelf te ‘straffen’ voor begane zonden. Eet gezond, neem vol­doende rust, reinig je denken van allerlei begeertedroesem en probeer het leven te leven van­uit het standpunt van de Geest en benader ieder ander mens als zodanig. Stel meer belang in het welzijn van anderen dan aan je eigen welzijn te denken, en de natuur zorgt voor jouw wel­zijn. Zo is de Wet van karma. Van jezelf moeten leren houden, je lager zelf, is een drogreden, en leidt tot zelfgenoegzaamheid, het bestendigen van het lager zelf en het goedpraten van een hele hoop zaken die je nu juist moet zien te overwinnen. Het helpt een mens geen stap verder op zijn weg naar geestelijke groei, maar is eerder een belemmering.

 

Laat men zich ook realiseren dat er een groot verschil is tussen persoonlijke en onpersoonlijke liefde. De eerste is voorwaardelijk en richt zich op een of meerdere personen die men ‘graag mag’, en sluit de ‘vijanden’ buiten. De tweede is onvoorwaardelijk en zonder aanziens des persoons, is universeel, breidt zich uit tot alle levende wezens en kent niet de voorwaarde om eerst ‘zichzelf’ lief te hebben, want alles vormt een eenheid. Wie als zodanig een ander lief­heeft, heeft automatisch zichzelf lief, omdat deze liefde het geheel omvat. Door eerst ‘zich­zelf’ te moeten liefhebben, verkondigt men de leer van de afgescheidenheid (de grootste ket­terij volgens de leer van het boeddhisme) en gaat men tegen de ethiek van de leringen van  alle grote werkelijke wereldleraren in. Ware liefde voor al wat leeft is de afwezigheid van het persoonlijk liefhebben van zichzelf en het onophoudelijk werken, zonder enig eigen belang, voor het welzijn van anderen. Wat gij doet voor het minst Mijner broeders, doet gij voor Mij...

 

Geen uitzicht zonder inzicht 

Een veel gemaakte opmerking van mensen die een verheven spirituele filosofie bestuderen is dat het allemaal prachtig klinkt zolang men met elkaar rond de tafel daarover spreekt, maar dat het heel moeilijk is, zo niet onmogelijk, om spiritueel inspirerende gedachten om te zetten in een permanente levenshouding in alle situaties van het dagelijks leven. En ook thuis ‘op de bank’, met een spiritueel boek op schoot, ontstaan vaak de meest idealistische gedachten en voornemens om het vanaf morgen ‘anders’ te gaan doen, maar zodra de eerste bekende patro­nen en situaties van de nieuwe dag zich weer aandienen, gaat men, voordat men het weet, weer in de ‘fout’. Het blijkt dus uiterst moeilijk te zijn om consequent bepaalde voornemens vast te houden, zich daarop te concentreren en zich niet te laten afleiden of te laten vérleiden iets niet of juist wél te doen. Gewoontepatronen en karaktereigenschappen blijken vaak zo hardnekkig te zijn ‘ingebakken’, dat het velen de grootste moeite kost om deze te wijzigen. Ze worden als hinderpalen ervaren om te komen tot wat men zich heeft voorgenomen.

 

Wat, zo zouden wij ons af kunnen vragen, is hiervan de oorzaak? Hoe komt het toch dat het zo pover met onze zelfdiscipline is gesteld, dat bij het minste geringste men alweer slachtoffer is van een denk- en gedragshouding, die men o zo graag veranderd zou willen zien? De vra­gen die misschien gesteld moeten worden zijn:

 

a. Wat zijn onze motieven om te willen veranderen?

 

b. Wat moet er veranderen om te kunnen en te willen bereiken waarnaar wij streven?      

 

c. Hoe kunnen wij deze veranderingen bewerkstelligen en met welke methode?    

 

Indien onze intenties om een verantwoord leven te leiden worden geïnspireerd door een spi­rituele levensfilosofie die uitgaat van het principe dat het begrip wij en de ander op de eerste plaats komen, en dat het ware geluk van jezelf alleen maar kan worden gevonden in het wer­ken aan het geluk van anderen, dan heeft men de helft van de ‘strijd’ al gewonnen. Want op basis van de eenheidsgedachte, dat het leven een ondeelbaar geheel is, en dat ieder wezen een uitingsvorm is van een bepaalde toestand van bewustzijn en evolutie, kan men niet anders dan de logische conclusie trekken dat het geluk van de één het geluk van de ander betekent en dat alle mensen en ieder ander levend wezen gezamenlijk een onverbrekelijke band van univer­sele broederschap vormen. Wat wij dus zouden moeten doen is slechts uitdrukking geven aan deze eenheid in de praktijk van het dagelijks leven door de ander, maar ook de ons omrin­gende dieren- en plantenwereld, te zien als een deel van onszelf en dienovereenkomstig te handelen. Daarin, in dit besef en de allesomvattende en onzelfzuchtige liefde voor al wat leeft, ligt in feite het geheim van het hele leven! Van hieruit, vanuit deze visie, zou de motivatie, de drijfkracht achter ons handelen voort moeten komen om goed te doen omwille van het goede zelf, zonder enig eigenbelang. Het vormt de kern van de leer van alle grote godsdiensten en religies in hun esoterische betekenis. Het geluk in het leven te vinden in het dienen van de medemens in waarheid en liefde, is het hoogste goed dat een mens zich kan realiseren. Alle ik-zucht en ik-heid verdwijnt hiermee en men gaat op in de gelukzaligheid van het leven als totaal.

 

Wat dient er nu te veranderen om dit doel in het leven te kunnen bereiken? Ten eerste zou men tot de vaste overtuiging moeten geraken dat het bovenstaande over de eenheid van het leven geen abstracte salonfilosofie is, maar een levende werkelijkheid, die in alles om ons heen en in onszelf waar te nemen valt. Met deze vaste overtuiging verankerd in het bewust­zijn, zou men eens alle neigingen, ingeslopen gewoontepatronen en onhebbelijkheden van de persoonlijkheidsstructuur op een rijtje moeten zetten (eventueel op papier) en tot een con­fronterend, eerlijk ‘in de spiegel kijken’ moeten komen om ze vervolgens allemaal tot op het ‘bot’ analyseren. Niet onder ‘hypnose’ of door middel van ‘regressietherapie’ om de ‘oor­zaak’ te vinden in ‘vorige levens’, maar om op een nuchtere wijze tot een analyse te komen van hun geaardheid op basis van de kennis die de Oude Wijsheid biedt. Want het is niet zo­zeer van belang om te weten wanneer zij zich hebben ontwikkeld tot een vast onderdeel van onze persoonlijke karakteristiek, maar wat hun geaardheid is en hoe wij er vanaf kunnen ko­men. Dat zij bestaan is een feit: jaloezie, haat, kwaadheid, ongeduld, egoïsme, zinnelijke be­geerte, achterklap etc.. Zij verlammen echter onze innerlijke natuur om de dingen te kunnen zien zoals ze werkelijk zijn en ons te ontwikkelen tot ware mensen in de hoogstaande en spi­rituele betekenis van het woord. Daarom dienen deze zaken met wortel en tak te worden uit­geroeid om hun verduisterende invloed op de ziel en hun bindende vermogen aan de materie te elimineren. Door kennis te verkrijgen van hun geaardheid hoeft men niet langer in onwe­tendheid te leven wat men moet doen om deze machtige krachten te overwinnen.

 

Hoe gaan wij aan de slag? Hoe kunnen wij de inspirerende studiën die wij volgen in de wijs­heidsboeken der eeuwen en de kennis die wij vergaren omzetten in een praktische levensfilo­sofie en toepassen onder alle omstandigheden van ons opgeklopte en jachtige leven? Tenmin­ste één ‘toverwoord’ dient vooraf te worden vermeld, omdat alle processen en methodes er in feite de dienaar van zijn: loslaten! Het opgeven van iedere vorm van eigenbelang en zelfzucht door het beoefenen van discipline en mededogen. Komen tot een methode van transformatie, niet van onderdrukking. Het denken vrijmaken van alle persoonlijke ballast en gepieker, ver­oorzaakt door onwetendheid, op basis van kennis van de aard van het denkvermogen als on­derdeel van de menselijke constitutie. Bewustzijnsvernauwing transformeren tot bewustzijns­verruiming door middel van het loslaten van alle kleinzielige ik-gerichte gedachten. Een spi­rituele, panoramische levensvisie opbouwen op basis van de esoterische grondslagen van alle heilige verheven geschriften uit de oudheid, van waaruit het dagelijks leven kan worden ge­leid. Oude en ingesleten, inhoudsloze gewoontepatronen in denken en doen, vervangen door spiritueel denken en handelen. Te komen tot zijn wat je werkelijk bent, maar wat tot nu toe verborgen bleef achter het masker van de persoonlijkheid. Uitzicht in je leven creëren door inzicht, want door inzicht ontstaat uitzicht. Geen uitzicht zonder inzicht. Het sluit aan bij de stelling dat als men van de Oude Wijsheid een praktische levensfilosofie wil maken, men tot de conclusie moet komen dat men geen ‘zondig schepsel’ is en uit zichzelf tot niets in staat is, maar een menselijk wezen, een denker en een doener, met een denkvermogen dat in staat is om ‘wonderen’ te verrichten! Veel mensen kennen hun eigen mogelijkheden en capaciteiten niet. Door je bewust te worden van je-Zelf, je bewust te worden van het feit dat alle mogelijk­heden van het universum in jou aanwezig zijn, ontstaat zelfvertrouwen en het vertrouwen en de vreugde dat alles wat je verricht voor het algemeen welzijn, alles en iedereen, en uiteinde­lijk ook jezelf, ten goede komt. Zo wordt de Oude Wijsheid tot een vreugdevolle levende wer­kelijkheid en geen stoffige filosofie uit oude boeken uit een ver verleden. Geestelijke princi­pes en overtuiging moeten tot leven worden gebracht door ze toe te passen en niet door er al­leen over te praten. Niet pre­ken naar anderen over religie en filosofie, maar daadwerkelijk die eigenschappen in jezelf ontwikkelen, waardoor medemenselijkheid op grond van geestelijke kennis en liefde zich mani­festeert en voor anderen voelbaar is. Het kost weinig moeite om vriendelijkheid te betonen aan mensen, hen aandacht te schenken en oog te hebben voor hun noden alsmede bereid te zijn met hen te willen delen. En kost het wél moeite, laat men dan alle mooie filosofische boeken eens een tijdje wegleggen en zich alleen bezighouden met het beoefenen van deze ‘deugden’. Daarmee begint het toepassen van de ethiek van iedere ware levensfilosofie en derhalve het beoefenen van broederschap Het is het noodzakelijke begin van het veranderen van ons­zelf. Daardoor verandert de wereld om ons heen en leveren wij een onschatbare zuiverende bij­drage aan de collectieve gedachtensfeer van de wereld door zo te denken en te handelen. Dat is praktische ethiek. Met een dergelijke levens­houding maakt men een einde aan het conflict­denken, doordat men duidelijke keuzes maakt. Zeker, dit vraagt dis­cipline en volharding. Het is de weg van drie stappen voor­uit en twee achteruit, maar met één stap winst! Het is vallen en opstaan, maar vooral juist het steeds weer opstaan en verder gaan. Het vraagt ook om tijd en energie te stoppen in regelmatige en dis­ciplinaire studie om spiritu­ele kennis op te doen. Echter met het doel voor ogen om deze na een gedegen ‘zelfopleiding’ weer door te geven aan anderen. Niet alleen consume­ren, maar ook produceren.

 

Anders denken als voorwaarde

Het denken wordt maar al te vaak gedreven door impulsen vanuit het uiterlijk leven en is zeer veranderlijk. Het laat zich ook vaak leiden door gevoelsaandoeningen en sentimenten zonder inzicht in de oorzaak van hoe dingen en situaties ontstaan. Een herstructurering van het den­ken op grond van inzicht in de kennis van de innerlijke en uiterlijke samenstelling van het leven, zoals de Oude Wijsheid dit uiteen zet, is een voorwaarde om tot een blijvende mentali­teitsverandering te komen die kan bijdragen aan een spiritueel transformatieproces in de we­reld. Dit zal zeker niet in één dag worden gerealiseerd, maar eerder honderden, zo niet dui­zenden jaren in beslag nemen. Men moet echter ergens beginnen, en ieder uitstel leidt tot ver­traging van dit proces van vernieuwing en transformatie, tot schade van onszelf en de ons omringende natuur. Ons denken is in deze onze kerker en tevens onze bevrijder. Het is onze kerker zolang het een impulsief leven leidt en voornamelijk wordt gevoed door de aandrang van lagere begeerten en ‘persoonlijke’ ontplooiing, zonder kennis van zichzelf en de relatie met en van de omringende natuur. Zo blijft het leven een doolhof, een ondoordringbaar oer­woud van tegenstrijdigheden en onlogisch; van het balanceren tussen gemoedsaandoeningen en zintuiglijke sensaties en vaak een geloof in god of goden en/of dorre wetenschappelijke stellingen, maar wordt er geen helderheid verkregen op grond waarvan men het denken duur­zaam kan gaan veranderen en derhalve de kwaliteit van het leven. Het denken is onze bevrij­der als het, gevoed door inzicht en kennis van de structuur van het Leven, tot een spiritueel en ethisch concept komt van waaruit de Grote Reis bewust kan worden ondernomen en het leven een helder en vreugdevol avontuur wordt. Niet dat wij dan geen problemen meer zullen on­dervinden op ons levenspad, maar zij zullen geen onoplosbare raadsels meer zijn. Zij zullen een plaats krijgen in ons denken en een juiste benadering, waaruit een karma zal voortkomen dat tenslotte in ons evolutiedrama zal leiden tot de Grote Bevrijding, de bewuste eenwording met ons geestelijk Zelf.        

 

Een suggestie voor een dagelijkse oefening

Mahatma Gandhi zei eens: “Als je de wereld wilt veranderen, zorg er dan voor dat je zelf het levende voorbeeld wordt van dat wat je in een ander zo graag veranderd zou willen zien”. We kunnen niet van een ander verlangen te veranderen als we zelf die moeite niet willen nemen. Dat is het kijken naar de splinter in andermans oog, terwijl wij de balk in ons eigen oog niet waarnemen. De ouderwetse drie rrr’s: rust, reinheid en regelmaat, zouden zowel lichamelijk als mentaal een goede start zijn en een innerlijk klimaat scheppen om allerlei deugden in stilte te ontwikkelen in het belang van onze omgeving en onszelf. Hieronder volgen een aantal sug­gesties:

 

 

* Sta vroeg op. Ga eerst naar de badkamer en het toilet. Drink eventueel een beetje water, maar eet niet.    

 

 

* Ga op een rustige plek zitten om tenminste een kwartier te mediteren.

 

 

* Mediteer over de eenheid van al het bestaande, dat alles in alles is. Richt je op je Hoger Zelf.  Besef dat je dit in werkelijkheid bent. Probeer deze werkelijkheid te ervaren.  

 

 

* Treed vanuit die ervaring de dag tegemoet, en probeer het aroma ervan vast te hou  den in alles wat er die dag op je pad komt. Want weet: alle mensen zijn je broeders  en je zusters, ongeacht wat of wie zij ook in hun leven zijn. Maak geen onderscheid  op grond van ras, geloof, geslacht, afkomst, persoonlijke omstandigheden of politie  ke overtuiging.

 

 

* Probeer deze dag niet boos te worden, niet jaloers te zijn, niet te roddelen etc..

    

* Probeer gelijkmoedig te zijn, wees vriendelijk en beleefd tegen iedereen, betracht geduld in alles en biedt hulp daar waar je die kunt bieden.   

 

 

* Probeer wat tijd vrij te maken voor het lezen van spirituele boeken en het bestuderen van de Oude Wijsheid.   

 

* Eet matig en gezond en belast het lichaam niet met onnodig voedsel. Zorg voor voldoende lichaamsbeweging.   

 

 

* Sluit voor het slapen gaan de dag af met ongeveer tien minuten lezen in een spiritueel boek dat eerder tot het hart dan tot het hoofd spreekt.  

 

Probeer het bovenstaande iedere dag tot een vast patroon te maken. Niet dwangmatig, maar ontspannen. Mocht een en ander niet lukken: morgen is er weer een nieuwe dag. Maar probeer het tenminste. Probeer discipline in je leven brengen. Denk aan een oud spiritueel gezegde: “Discipline gaat aan alle mysteriën vooraf”. Door het bovenstaande ieder dag opnieuw te be­oefenen, ontstaat er een regelmaat. Niet opgelegd, maar een vrijheid in een zelf aangegane gebondenheid. Dat schept ruimte en geeft rust. Laat het geen moeten zijn, maar een willen op grond van de zin die je ervan inziet. Door zo proberen te leven, door zo te denken, draag je op een zeer positieve wijze bij aan het verbeteren van de wereld. Een ieder op zijn eigen plek. En zelf maak je uit waar die plek voor jou is.

 

*******

 

Mijn leven is een ondeelbaar geheel en al mijn bezigheden vloeien in elkaar over; en alle vin­den zij hun oorsprong in mijn onverzadigbare liefde voor de mensheid.

 

 

- Mahatma Gandhi

 

Hoofdstuk V

 

Het perspectief van Boeddha, Jezus en Krishna

 

 

Vrijheid in gebondenheid

Mensen met een geestelijke levensinstelling zijn vrije mensen. Dat wil niet zeggen dat zij niet gebonden zijn aan voorschriften. De voorschriften die zij kennen zijn die van hun eigen hart. Het zijn geen opgelegde regels op papier, maar de herkenning en erkenning dat de ethische voorschriften van grote wereldleraren zoals Boeddha, Jezus en Krishna het prachtige verbond zijn tussen de persoonlijke mens en zijn Hoger Zelf. Het zijn regels van innerlijk besef dat door een onwrikbare discipline werelden gecreëerd kunnen worden. Het is de vrijheid van het menselijk denken, dat men deze regels accepteert als een goddelijke leidraad in het leven en niet als geboden, en dat men de zin ervan inziet, ze begrijpt en ze vrijwillig en met liefde ac­cepteert. Dat is in vrijheid kiezen voor deze gebondenheid, die in feite geen gebondenheid is, maar paradoxaal juist vrij maakt! Men is onvrij als men zich niet weet ‘gebonden’ door de ethiek van de leringen van de grote wereldleraren. Zonder deze regels is men de slaaf van de neigingen van de lagere natuur in de mens. Het niet verbonden zijn, de ‘vrijheid’ van de per­soonlijke mens zonder verantwoordelijkheid is juist de grootste vorm van geketend zijn die een mens zich maar kan voorstellen. Waarom zouden anders alle grote wereldleraren hun res­pectievelijke filosofieën aan de wereld, verspreid over diverse tijdperken en continenten, heb­ben verkondigd? In de kern van de zaak is de boodschap en oproep van Boeddha, Jezus en Krishna identiek. Alle drie zijn zij meesters van mededogen met een goddelijk inzicht in de menselijke natuur, de oorzaak van het lijden in de wereld en het opheffen ervan.

 

Hieronder volgt een becommentarieerd kort overzicht van de kernleer van deze wereldleraren:

 

De vier edele waarheden en het achtvoudige pad van Gautama de Boeddha

De kern van het boeddhisme is het inzicht dat de Boeddha uiteenzette aan zijn leerlingen over het ontstaan en het opheffen van het lijden. Hij doet dit aan de hand van de vier edele waarhe­den en het achtvoudige pad. Zij luiden als volgt:

 

Wat echter, o broeders, is lijden? Wat is de oorsprong van lijden? Wat is de vernietiging van lijden? Geboorte is lijden; ouderdom is lijden; zorg en ellende zijn lijden; droefheid en wan­hoop zijn lijden; verenigd te zijn met walgelijke dingen is lijden; het verlies van datgene wat wij liefhebben en niet kunnen bereiken wat wij verlangen, is lijden; al deze dingen, o broe­ders, is lijden.

 

En wat, o broeders, is de oorsprong van het lijden? Het is begeerte, hartstocht, en de dorst naar het bestaan, die overal naar genot haakt en tot voortdurende wedergeboorte leidt. Het is zinnelijkheid, verlangen, zelfzucht; al deze dingen, o broeders, zijn de oorsprong van lijden.

 

En wat is de vernietiging van lijden? De afdoende en algehele vernietiging van deze dorst, en de verzaking, de verlossing, de vrijwording van hartstocht; dat, o broeders, is de vernietiging van het lijden.

 

En welk is het pad, o broeders, dat tot de vernietiging van het lijden voert? Het is het acht­voudige pad, dat tot de vernietiging van het lijden voert, en dat bestaat uit: juiste inzichten, juiste beslissingen, juiste woorden, juiste daden, juist leven, juist streven, juiste gedachten en juiste overpeinzing.1  

 

De Boeddha leert dat er in deze wereld van mâyâ (illusie) geen bestendiging is. Alles is aan verandering onderhevig en van voorbijgaande aard. Overal is samsâra (rondgang, kringloop van geboorten, de stroom van het eeuwig worden). De ‘dochters van Mara’, de boze, zijn in allerlei verleidelijke vormen altijd om ons heen en strooien met begoochelingen om ons af te houden van het rechte pad dat naar de Waarheid voert. Wie deze verleidingen niet kan weer­staan, wordt gevangen gehouden in het Wiel van Karma, waardoor de ziel keer op keer terug­keert naar de aarde om de lessen des levens te ondergaan. De grootste les is dat het gehele leven in feite één groot lijden is, omdat alles waaraan men zich hecht weer moet worden los­gelaten, daar niets blijvend is. De juistheid inzien van de vier edele waarheden en het acht­voudig pad maakt dit duidelijk. Het leven te leven zoals de Boeddha heeft geleerd (Dharma) leidt uiteindelijk tot de verlossing, de grote bevrijding, waarbij de mens tot een Boeddha wordt en het recht heeft verworven het Nirvâna (de toestand van alomvattend kosmisch be­wustzijn) binnen te gaan. Gecomprimeerd is dit de leer van Gautama de Boeddha.

 

De Bergrede van Jezus van Nazareth  

De Bergrede van Jezus in de Bijbel is, evenals de Bhagavad Gîtâ, in feite een esoterisch do­cument. De uitspraken hebben zo’n directe en heldere zeggingskracht, dat niemand de we­zenlijke waarde ervan kan ontgaan. Het gaat erom of men de exoterische of esoterische inter­pretatie kiest. Gaat men uit van het laatste, dan is Jezus de Christus hetzelfde aspect als Krishna in de Bhagavad Gîtâ. En als zodanig is Christus/Krishna de geestelijke ziel, het Bud­dhi-aspect in de mens. De Christus is dus in ons. Wij zijn de Christus zelf. In dat licht bezien krijgen uitspraken van Jezus in de Bergrede een geheel andere betekenis.

 

Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven ver­liezen zal, om Mijnentwil, die zal het vinden - Mattéüs 16:25* 

 

Wie het leven wil behouden vanuit het standpunt van de persoonlijkheid, zal het ooit moeten opgeven, aangezien de dood vast staat voor alle mensen. Maar wie zijn bewustzijn richt op zijn Hoger Zelf, op de Christus in hem, en van daaruit dagelijks tracht te leven, onder alle omstandigheden stand houdt en alles en iedereen benadert in liefde en in waarheid, die zal het Leven vinden. Het leven in zijn geheel wordt dan benaderd vanuit het standpunt van de geest, en de geestelijke mens kan niet door de dood van het lichaam worden getroffen. Het is de eeuwigheidspelgrim, die van incarnatie tot incarnatie gaat om tenslotte terug te keren naar het Huis van de Vader als een bewuste god...

 

Heb uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel aan hen, die u haten – Mattéüs 5:44

 

Hier geen oog om oog en tand om tand, omdat ieder ‘kwaad’ dat met ‘kwaad’ wordt beant­woord het karmisch wiel maar door laat draaien en de vicieuze cirkel niet wordt doorbroken. Als kwaad met liefde wordt beantwoord, wordt deze cirkel wél doorbroken, wordt het kwaad geneutraliseerd en kan het zich niet vermenigvuldigen waardoor weer nieuw ‘kwaad’ karma ontstaat. Het is ook niet aan de mens om anderen te straffen voor begane ‘zonden’. De gees­telijke mens beseft dat hij zijn medemens dient te helpen met het vinden en het gaan van de weg om een - in de spirituele betekenis van het woord - verantwoord leven te leiden op basis van geestelijke ethiek en de Wetten van de Natuur. Het leven te leiden, en niet te lijden. “Mij is de wrake” zegt Jezus elders. Het is aan de Wet van karma, de Wet van gerechtigheid om iemands leven karmisch te corrigeren. Wij kennen de karmische achtergrond van anderen niet, noch hun daden in vorige levens. Het is onze taak om mensen te helpen de weg terug te vinden, hen voor korte of langere tijd af te zonderen van de open maatschappij als zij een ge­vaar voor anderen en zichzelf vormen. Niet als een straf  - en al helemaal geen doodstraf - maar als een therapie. “Zij die zonder zonden zijn werpen de eerste steen” is ook een uit­spraak van Jezus. Wie kan deze ‘steen’ gooien...?

 

Laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet - Mattéüs 6:3

 

Als men iets doet voor een ander, laat men het dan doen om de daad zelf en niet om het re­sultaat. Laat men zich niet voorstaan op zijn ‘goedheid’, maar het goede doen om het goede zelf. Laat men in stille barmhartigheid goede dingen doen voor mensen, en niet om als ‘barm­hartige Samaritaan’ gezien te worden. Want:

 

Opdat uw aalmoes in het verborgene zij; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, Die het u in het openbaar zal vergelden - Mattéüs 6:4

 

De Wet van karma zorgt ervoor dat iedereen die oprecht, zonder eigenbelang, met liefde en aandacht - op welk terrein dan ook - voor anderen zorgt, zijn ‘verdiende loon’ krijgt. Met an­dere woorden: wie goed doet, goed ontmoet, en wie kwaad doet, kwaad ontmoet. De Natuur, die ‘in het verborgene ziet’, registreert alles en zal ‘loon naar werken uitkeren’.

 

De hele Bergrede en andere leringen van Jezus uit de Bijbel zouden op deze wijze becom­mentarieerd kunnen worden, maar die ruimte bieden deze pagina’s niet.

 

Krishna en de Bhagavad Gîtâ: het Arjuna-perspectief 

Hieronder volgt een bewerkt gedeelte van een lezing, gehouden door schrijver dezes tijdens het symposium De Bhagavad Gîtâ: zijn betekenis hier en nu, georganiseerd door de Stichting Filosofie en Meditatie op zaterdag 16 november 1996, Wil­lem de Zwijgerkerk, Amsterdam:

 

“Een ieder die de prachtige filosofie van de Bhag­avad Gîtâ met devotie in zijn of haar hart draagt, is haast verplicht om het pad van de levende trans­formatie te kiezen: de verwezenlij­king van de leer van Krishna in het eigen leven! Zo wordt het vlam­mende vuur van de God­delijke Wijsheid die de Bhaga­vad Gîtâ bevat levend gehouden door een ononderbroken scha­kel te vormen met allen die deze seri­euze en heilige poging eveneens onder­namen én onder­nemen. De Gîtâ is het boek bij uitstek om door middel van het begrijpen van wat het aanspo­ren tot toewijding aan de alomtegen­woordige, universele en alles­doordringende Geest esote­risch gezien betekent, inzicht kan verschaffen in de wezenlijke structuur van mens en uni­ver­sum als antwoord op het hoe, waarom en vanwaar van beide, die in essentie één zijn. Daar­door wordt het gehele drama van de evolutie van het bewust­zijn, zowel van de mens als van ieder ander levend wezen, in een geheel nieuw per­spectief ge­plaatst. De wonderbaarlijke samen­spraak tussen Krishna en Arjuna is slechts het voertuig, een al­legorie waarin deze eeu­wige, universele Wijsheid ligt verborgen. Door Krishna te zien als ons Hoger Zelf, als de onge­manifesteerde God­delijkheid, de alomtegen­woordige en alles­doordringende God­delijke Geest en Ar­juna als het denkvermogen (Manas) of de menselijke ziel in ieder mens; de strijdwa­gen waarin beiden staan als het menselijk lichaam; de vier paarden die het span vor­men voor de strijd­wagen als de hartstochten en begeerten die ons o zo vaak heen en weer slinge­ren; de Kuru's en de Pandava's als respectievelijk de nega­tieve en posi­tieve krachten in de Natuur en in geïndividuali­seerde vorm in onszelf, en de vlakte waar de strijd tussen de twee groepen gestreden wordt als de praktijk van het da­gelijks leven. Hierdoor wordt de hele Bhagavad Gîtâ een transparant panorama, waar we de strijd in onszelf als individu en de mens­heid als geheel in herkennen als het gaat om het terug­keren naar het goddelijke Huis van onze geestelijke Vader vanuit onze aardse toestand van bewust­zijn. Het overstijgen van de 'paren der tegenstellingen' door niet handelen in handelen te realiseren: een schijnbare para­dox, maar desalniettemin de enige weg om geen nieuw karma op te bou­wen in de we­relden van gevolgen door alles op te dra­gen, ie­dere handeling die we ver­richten, aan Krishna als de alomtegenwoordige, eeuwige GEEST. Dit te doen met een allesomvattende liefde voor alles en ieder­een, waarvan deze GEEST de grondslag is, maakt een opening in ons bewustzijn waar­door een ge­waarwording ontstaat, die op geen enkele wijze met woorden valt te beschrij­ven. Het zal de Ar­juna in ons zijn, die zich gewaar wordt van zijn ware Zelf, die Krishna ziet als zijn gees­telijk ver­mo­gen en hem herkent als leidende Kracht in de onein­digheid van vor­men en bewustzijn. Nooit zal Arjuna dan meer kunnen dwalen. Om met christe­lijke ter­men te spreken: wij kunnen dan zeg­gen dat wij onze Vader van aange­zicht tot aan­gezicht heb­ben ont­moet, en dat Zijn Goddelijke Licht, dat nog niet te vergelijken is met het licht van dui­zend tegelijk opkomende zonnen, ons wezen voor im­mer zal verlichten. Nooit kunnen wij dan meer dwalen in het leven; wij heb­ben de Koning der koningen herkend. Maar, wij zullen een ver­lichte Ar­juna moeten wor­den, want er is geen god in de uit­ge­strekt­heid van het universum die ons een 'gunst' zal verlenen door iets te schenken, dat wij niet door eigen inspanning hebben ver­diend. Het is een proces van vallen en opstaan, van sla­gen en fa­len, tot­dat wij voorbij het stadium ko­men waar slagen of falen, succes of tegenslag, pret­tig of niet prettig ons allemaal om het even zal zijn. Men is de 'paren van tegen­stel­lin­gen' dan ontgroeid. De hoeda­nigheden of Triguna's, als natuurlijke neigin­gen die de mens eigen zijn, zul­len dan hun karmische weg vervolgen, zonder dat wij ons nog zullen be­komme­ren om de ge­volgen. De ware weg naar Huis is her- en erkend! Dan zullen toewijding en universele liefde verankerd zijn in alle facet­ten van ons bestaan. Dit perspec­tief - het Ajuna-per­spectief - houdt de Bhagavad Gîtâ ons voor ogen. De keuze is echter aan ons”.

 

Ik ben dezelfde in alle wezens; ik ken noch haat, noch voorkeur; maar zij die mij dienen met liefde, verblijven in mij en ik in hen. (Bhagavad Gîtâ - Hoofdstuk IX).

 

Het Innerlijk Licht 

In een fragment uit het boekje Het Innerlijk Licht door Juda (pagina 9 t/m 11) wordt een be­schrijving gegeven van de hoofdpersoon in het verhaal, Melchior, die na vele jaren van zoe­ken en ervaringen tot een diep innerlijk besef is gekomen. Het staat model voor hoe een mens zou kunnen komen tot een bewuste spirituele overtuiging van waaruit hij zijn leven leidt. Het fragment luidt als volgt:    

 

Op zijn zoek­tocht door het leven was Melchior op een paar punten wijzer ge­worden. Hij was er achter geko­men dat het ant­woord op zijn levensvragen niet buiten, maar in hemzelf gevon­den moest worden. Dit inzicht had hem gesti­muleerd een proces te starten om al zijn mentaal opgeslagen kennis te transformeren tot een levende werkelijkheid. Hij was gaan inzien dat al zijn kennis en inzichten doorleefd moesten wor­den aan de hand van ethi­sche begin­selen om deze tot wijsheid te kunnen transformeren. Hij had geleerd dat wijsheid op straat ligt, in de gewone dingen van alledag, in het beoefenen van deug­den, zowel kleine als grote, door mid­del van een strakke en onwrikbare discipline. Hij had ingezien dat de waarheid altijd in het midden ligt en nooit is te vinden in uitersten. Wijs­heid, zo zag hij het, was te vinden in de spie­geling van jezelf aan je omgeving, aan men­sen en aan situaties, om je moreel te kun­nen toetsen en te zien wie je werkelijk bent door je reacties op deze spiegelin­gen. Daardoor kon hij zien wie hij werkelijk was: zijn lager zelf of een afspiege­ling van zijn Hoger Zelf. Ken Uzelve, daar kwam het op aan! 

Hij onderging steeds meer een diepe vrede met zijn omgeving en zichzelf. Hij zag nau­welijks meer verschil tussen jullie, hij, zij en ik, maar eerder alles in een transcendent ge­heel, een een­heid in verscheidenheid. Alle neigingen in de richting van jaloezie, boos­heid, achter­klap, ijdelheid en egoïsme wa­ren vreemd voor hem geworden. Hij putte uit de ethi­sche voorschrif­ten van de grote we­reldle­raren en paste ze in de stilte van zijn hart toe in alle situa­ties van het dage­lijks leven. Zijn levenskracht, vrede en menslie­vendheid werden door an­deren gevoeld, maar hij stelde zich onopvallend op. Hij had op een van­zelfspre­kende en natuur­lijke wijze geleerd te leven voor het welzijn van ande­ren en niet voor zichzelf …

 

*******

 

... in het heelal, in het universum, dáár is een koninkrijk der waarheid, en wij die nu kinderen van de aarde zijn, zijn – voor de eeuwigheid – kinderen van het heelal. Voel ik dan niet in mijn ziel dat ik een deel vorm van dit enorme harmonische geheel? Voel ik dan niet dat ik één schakel ben, één trede ben tussen de lagere en de hogere wezens in de enorme harmonische menigte van wezens, waarin de Godheid – de Almacht als je aan dat woord de voorkeur geeft – zich uitdrukt? Als ik zo duidelijk de ladder zie die van plant tot mens voert, waarom zou ik dan veronderstellen dat die ladder bij mij ophoudt, en niet verder en verder stijgt? Ik voel dat ik niet in het Niets kan verdwijnen, aangezien in deze wereld niets verdwijnen kàn, maar dat ik altijd bestaan zal en altijd bestaan heb ...

 

Uit Oorlog en vrede - Leo Tolstoi

 

Hoofdstuk VI

 

Het verleden keert terug in het heden

 

 

De karmische erfenis van Atlantis

Het is een wonderbaarlijke wereld waarin wij leven. De technologie waarmee wij worden omringd, is een vanzelfsprekendheid geworden. Een druk op het knopje: licht! Contactsleu­teltje omdraaien: rijden maar! Rode en blauwe knop omdraaien: heet en koud water! Toch zijn deze ‘vanzelfsprekendheden’ niet zo vanzelfsprekend als ze lijken. Ontelbare uren, da­gen, maanden, jaren en eeuwen van ‘uitvinden’, uittesten, grondstoffen delven, transport en menskracht, van generatie op generatie, van beschaving op beschaving, zijn eraan vooraf ge­gaan. Alles wat nu bestaat, waar wij gebruik van maken, onze hele geavanceerde wereld, is voor dit moment het eindproduct van een eindeloze reeks van ontwikkelingen vanaf de vroeg­ste tijden der mensheid tot en met het heden. Alles ligt in elkaars verlengde. Aan ieder ding dat bestaat liggen tijdperken van evolutie ten grondslag. Het is echter niet zo dat deze evolutie zich in een rechte lijn heeft voltrokken, maar eerder een cyclisch karakter heeft vertoond van opkomst en ondergang, waarbij alles wat werd ont-dekt in de Natuur al aanwezig was als een blauwdruk. In zekere zin bestaan er geen nieuwe ideeën, maar is alles een kopie van wat in die blauwdruk al aanwezig is. De mens vindt niets uit, maar ‘download’ als het ware wat in de wereld van de goddelijke ideatie in abstractie al bestaat. Hij individualiseert deze goddelijke ideeën en past ze tenslotte toe op zijn eigen niveau van ontwikkeling. Aan de basis van alles wat in deze tijd aan technisch vernuft bestaat, liggen niet de uitvindingen van enkele uitvin­ders uit de vorige en eervorige eeuw ten grondslag. Zij hebben slechts een ontwikkeling voortgezet die door anderen al was ‘uitgedacht’ in archaïsche tijden. Zij hebben door hun cre­atieve denken opnieuw ont-dekt. Maar ook de ontdekkingen uit de vroegste tijden waren een voortzetting van een ontwikkeling die al daarvóór was gestart.

 

De Oude Wijsheid zegt dat de mens in deze vroegste tijden van zijn ontwikkeling is onderwe­zen door de Goden in geestelijke kennis, kunsten en wetenschappen. Prematuur als hij was in de beginfase als een zich ontwikkelende denker, werd hij geholpen door de Oudere Broeders van de mensheid, in de Oude Wijsheid de Mânasaputra’s genoemd, om zijn mens-zijn als zelfstandige denker vorm te geven. Gedoseerd werd hem door deze Broeders de kennis ver­schaft waar alle latere ontwikkelingen op het gebied van cultuur, wetenschap en religie uit zijn voortgekomen. In de vroegste tijden ontwikkelde de mensheid eigenschappen, die tot glorieuze ontwikkelingen kwamen in bijvoorbeeld de legendarische beschaving van Lemurië. Na het verval en de ondergang ervan, diende zich na zeer lange tijd een nieuwe aan die uit­groeide tot een ware superbeschaving: Atlantis! Tijdens de hoogtijdagen van deze beschaving was de belangstelling voor de ontwikkeling en toepassing van occulte krachten een focuspunt, en werden er dingen op materieel gebied gecreëerd die veel verworvenheden van onze huidige beschaving in de schaduw stellen. Maar zoals met iedere beschaving het geval is waar ethi­sche normen en geestelijke aansturing worden vervangen door zelfzucht en materialisme, kwam het machtige Atlantis door de Wet van karma op een apocalyptische wijze aan zijn einde. Maar waren daarmee ook de ideeën verdwenen die het zo groots maakte, zowel de spi­ritueel geïnspireerde als de zelfzuchtige, materialistische en destructieve? Zeer zeker niet! Het uiterlijke Atlantis was weggevaagd van de aardbodem: mensen, de hele flora en fauna, de bouwwerken, kortom alles wat tot deze beschaving behoorde, maar de ideeën en de astrale kopie ervan werden opgeslagen in de Kronieken van Akâsa, het grote Levensboek van de Natuur, waar de daden en gedachten van de volkeren aller tijden en ieder mens individueel worden opgetekend en bewaard, om ‘te gelegener ure’ weer te verschijnen op het uiterlijk gebied en karma zijn werk te laten doen...

 

De Griekse ingewijde Plato zei het al: het zijn ideeën die de wereld regeren. En deze ideeën trekken zich terug zodra een beschaving haar ondergang in het gelaat ziet, maar verschijnen weer op basis van de Wet van de cyclussen en de Wet van karma zodra een nieuwe bescha­ving zich aankondigt, om vervolgens te worden heront-dekt door een nieuwe generatie van grote denkers, filosofen en uitvinders. Niets nieuws onder de zon: het was er al, maar er breekt een nieuwe cyclus aan om deze oude ideeën te transformeren in de alchemie van een nieuwe tijd, alleen een trede hoger op de evolutieladder van de mensheid ten opzichte van alle andere beschavingen uit het verleden in de levenscyclus van onze planeet. Zo is onze huidge beschaving met zijn schier oneindige technische mogelijkheden een karmische voortzetting van de verworvenheden uit het legendarische Atlantis en zelfs Lemurië. Wederom wordt een hele wereldbevolking geconfronteerd met een stroom van ideeën, zowel op geestelijk als op materieel gebied, dezelfde ideeën die ook bestonden in het oude Atlantis, om tenslotte een keuze te moeten maken tussen het geestelijke en het stoffelijke. Wij zijn onherroepelijk met deze ideeën verbonden, omdat de zielen die nu in onze huidige moderne wereld in incarnatie zijn, dezelfde zijn die de lichamen van de Atlantiërs en Lemuriërs bewoonden. Wij zijn die Atlantiërs! Onze karmische erfenis uit die periode komt nu ‘boven water’. Het is aan ons om daar richting aan te geven en de fouten uit een ver verleden te herstellen, die destijds tot onze ondergang hebben geleid. De wereld van vandaag is de karmische erfenis uit het verleden en de sleutel tot de toekomst. Wederom worden wij geconfronteerd met de keuze of wij onze welvaart en technologie wensen aan te wenden voor het algemeen welzijn, of dat wij welzijn ondergeschikt maken aan de zelfzucht van een materieel heersende maatschappij, die zonder de leiding van geestelijke en ethische principes onherroepelijk hetzelfde lot tegemoet zal gaan als de superbeschaving van Atlantis destijds. Een nieuwe tijd met nieuwe kansen.

 

De geestelijke erfenis van de mensheid, de Oude Wijsheid genoemd, de Gupta-Vidyâ, de Gnosis, de Theos-Sofia, de Esoterische Wijsbegeerte of de Kennis der Goden, is in onze tijd voor een belangrijk deel voor iedereen in boekvorm en op internet beschikbaar. Op grond van deze Goddelijke Wijsheid kunnen wij sturing aan het leven geven in onze complexe wereld en de karmische erfenis van Atlantis interpreteren. Laten wij er daarom in wijsheid mee omgaan en onze conclusies trekken. Als wij, zoals eerder gezegd, onze technologie niet aanwenden voor en in dienst stellen van het welzijn van alle mensen, zal deze in plaats van een materiële ‘hemel’ een hel worden, een inferno dat zijn gelijke nimmer heeft gekend. Dan zal een hoge prijs moeten worden betaald voor het ongebreideld materialisme zonder geestelijk ideaal. La­ten wij ons daarom richten op de wereld van het geestelijke, de werkelijkheid achter de we­reld van voorbijgaande aard, en beantwoorden aan de roep van ons geestelijk hart om uitdruk­king te geven aan onze geestelijke Bron. Laten wij alles waar wij het beheer over hebben om­vormen tot een instrument voor dat doel en dat doel alleen.

 

Een duurzame mentaliteitsverandering starten

We hebben kunnen constateren dat er de afgelopen vijftig jaar in het Westen een enorme groei is ontstaan in de belangstelling voor ware spiritualiteit en pseudozaken. De invloed die dit alles in een hogere versnelling heeft gezet, de ‘flower-power’ periode uit de tweede helft van de jaren zestig met de muziek van The Beatles als hoogtepunt, was een aanloop naar de jaren die daarop volgden. De kreten ‘new age’ en ‘esoterie’ zijn algemene begrippen geworden. Honderdduizenden mensen zijn op de een of andere wijze bezig met bewustzijnsontwikke­ling. Dit heeft in het Westen geleid tot een grote belangstelling voor bijvoorbeeld (Tibetaans) boeddhisme en oosterse filosofie in het algemeen, maar ook voor gnostiek, druïden, heksen, tarot, de I Tjing en astrologie. Door de enorme technologische ontwikkelingen daarnaast van met name de laatste vijfentwintig jaar, staan velen individueel, maar ook de wereld als geheel - in het bijzonder het Westen - op de rand van een groot keerpunt, een moment van keuze. De grote opgave is een balans te vinden tussen onze moderne technologische en veelal materia­listische wereld en ons zoeken naar nieuwe wegen van spiritualiteit. De mens zal meer dan ooit een keuze moeten maken welke kant hij op wil. Laat hij zich leiden door een verblin­dende ik-begeerte naar alle ‘hebbedingen’, een ‘eigen dit’ en ‘eigen dat’ en materieel comfort ten koste van andere mensen in minder ontwikkelde gebieden, het milieu in het algemeen en zonder een levensfilosofie? Of kiest hij de weg van ware spirituele ontwikkeling, de weg van liefde en zorg voor de medemens, de dieren- en plantenwereld, kortom de aarde als geheel? Zal hij de consequenties van het consequent zijn willen aanvaarden als hij kiest voor een spi­ritueel leven, midden in de maatschappij die alle mogelijke tegenstand zou kunnen bieden? Zal het hem duidelijk zijn dat de weg naar God geen verticale, maar een horizontale is via de wegen van het leven naar daar waar lijdende wezens liefde en verzorging nodig hebben? Voorwaar Ik zeg u, wat gij doet voor het minst Mijner broeders, doet gij voor Mij (Jezus van Nazareth)...

 

Het verkrijgen van kennis van de Oude Wijsheid kan de mens in staat stellen om zijn keuze in de komende tijd te bepalen hoe om te gaan met en vorm te geven aan een nieuwe wereldorde, waarbij technologische kennis en een spiritueel bewustzijn met elkaar in harmonie zijn. Daar­bij zou het zo moeten zijn dat de technologie er voor de mens is en niet andersom. Zij zou een hulpmiddel moeten zijn om velen op deze aarde te helpen bij voorzien in hun basisbehoeften, technisch absoluut uitvoerbaar, maar politiek vaak onhaalbaar. Het is de waanzin ten top dat miljarden dollars worden uitgegeven aan de meest geavanceerde technologie op defensiege­bied, terwijl er op zoveel plaatsen in de wereld behoefte is aan een eenvoudige waterpomp of irrigatiesystemen om water te laten vloeien daar waar het land droog is, zodat er gewassen kunnen worden verbouwd. Nu zijn het vaak alleen hulporganisaties, van giften afhankelijk, die daar op bescheiden schaal zorg voor dragen. Niemand in de zogenaamde ‘derde wereld landen’ zit bijvoorbeeld te wachten op genetisch gemanipuleerde zaden, waar uiteindelijk alleen de grote biotechnologiebedrijven in voornamelijk de VS en Europa rijker van worden. Onzelfzuchtigheid, naastenliefde, een wezenlijk spiritueel besef van de eenheid van al het bestaande alsmede kennis, materialen, goederen en menskracht willen delen met of schenken aan anderen die zelf niet in hun basisbehoeften kunnen voorzien, dat zijn zaken waar de we­reld een grote behoefte aan heeft.

 

Hieronder volgt een fragment uit het bijzondere futuristische boek Buitenaardse beschaving van Stefan Denaerde uit 1969 (pagina 112 t/m 114) dat voor zichzelf spreekt:

 

Creativiteit is het zelfstandige denken dat voortdurend iets wil veranderen in de eigen levens­omstandigheden of die van anderen. Het is de creativiteit, de onbewuste geluksdrang, die de mens eindeloos voortjaagt naar: steeds meer en steeds beter. Er zijn twee soorten creativiteit, de materiële en de immateriële. De eerste is het individuele streven naar verbetering van de eigen levensomstandigheden. Zij richt zich hoofdzakelijk op het terrein van de seks, bezit en macht. Zij is de oorzaak van de ellende op deze planeet. De individualiteit uit zich in egocen­triciteit, hebzucht en geldingsdrang. In het streven naar een materieel doel ervaart de mens de voldoening van de eigen creativiteit maar in het bereiken van een doel ervaart hij geen blij­vende voldoening omdat het doel relatief blijkt te zijn, slechts een vergelijkingsobject ten op­zichte van wat anderen hebben. Hij jaagt weer verder op een volgend doel, meestal een hoger inkomen of een hogere positie, en hij blijft jagen omdat hij alleen daaruit de voldoening moet putten. Maar het moment komt dat hij door veroudering of ziekte niet meer jagen kan en dan stort zijn wereld in elkaar en hij slijt zijn verdere leven in onvrede met zichzelf. Hij heeft niet begrepen dat hij slechts gejaagd heeft op een steeds terugwijkend fata morgana boven de woestijn van het materialisme. Daarentegen geeft de immateriële creativiteit ... een blijvende gelukservaring. Het is het individuele streven naar verbetering van de levensomstandigheden van anderen. Dit soort creativiteit is van de mens af gericht, vanaf het stoffelijke naar hogere waarden. Het uit zich in: behulpzaamheid, medeleven, medelijden, belangstelling, verdraag­zaamheid, vriendelijkheid, waardering, bewondering, kortom in het totale, allesomvattende begrip: onzelfzuchtige liefde. ... Wat baat het de mens, wanneer hij alles bezit, doch de liefde mist? Het antwoord luidt: niets. Alles wat voorgaande geslachten hebben opgebouwd ... met een onbegrijpelijk hoge graad van wetenschappelijke en technologische ontwikkeling en een mateloze welvaart, dit alles maar dan ook alles is voor niets geweest wanneer de mens er de liefde mist die hem gelukkig kan maken. Want iedere onzelfzuchtige daad, iedere zelfover­winning vergroot blijvend het gevoel van eigenwaarde, van voldoening. Bij een mens die een grote mate van onzelfzuchtigheid heeft bereikt manifesteert zich de blijvende waardevergro­ting als een waarneembaar persoonlijkheidsfacet ('de wijsheid'), dat ongevoelig blijkt te zijn voor tegenslag of vergrijzing. Hij wordt onkwetsbaar in zijn gevoel van eigenwaarde, van vrede met zichzelf, in zijn gelukservaring. ... Alleen een ras met een grote mate van onzelf­zuchtigheid, ... met een immateriële structuur, kan overleven.

 

*******

 

Als de hele biosfeer zich heeft ontwikkeld als een levend systeem op zich, waarin al de tal­rijke subsystemen verschillende en van elkaar afhankelijke rollen spelen, dan kan de mens­heid als subsysteem van dit grote planetaire systeem daar niet van worden gescheiden of afzonderlijk worden behandeld.

 

 

- Peter Russell

 

Hoofdstuk VII

 

(R)evolutionaire wetenschap en de nieuwe wereld

 

 

De wetenschap komt tot nieuwe inzichten

Wetenschap en godsdienst zijn lange tijd niet bepaald broederlijk hand in hand gegaan. De visie op het ontstaan van het ‘leven’ was voor beide een niet te overbruggen kloof. De weten­schap hield en houdt nog in grote mate vast aan de evolutietheorie van Charles Darwin, ter­wijl bijvoorbeeld de christenen vasthouden aan de stelling dat de mens is geschapen door God. Toch zijn de tegenstellingen tussen wetenschap en bijvoorbeeld de Oude Wijsheid lang­zaam aan het vervagen. Steeds vaker ontstaan er wetenschappelijke hypothesen die bevestigen wat in de geschriften van de Oude Wijsheid wordt beweerd, getuige het feit dat men stukje bij beetje begint te erkennen dat alles is opgebouwd uit energie, die zich omzet in oneindige combinaties van structuren en vormen van materie. Materie is in feite gestolde energie. He­dendaagse boeken zoals Het Veld van Lynne McTaggart spreken over het nulpunt-energie-veld. Osho sprak in de jaren zeventig over het boeddha-veld, terwijl een andere auteur in zijn boek spreekt over het kosmisch draagveld. En in het nieuwste boek van Ervin Laszlo wordt gesproken over het akasha-veld. Wat deze auteurs gemeen hebben in hun visie en de uiteen­zetting daarvan, is dat er een zeer ijl energieveld is, waar alle materie uit voortkomt. Daar worden uiterst kleine materiedeeltjes waargenomen die in een interactief proces onophoude­lijk verbindingen met elkaar aangaan en derhalve elkaar intensief beïnvloeden en samenwer­ken. Met de huidige zeer geavanceerde technologische onderzoeksmethoden en computerpro­gramma’s, kunnen veel van deze processen letterlijk in beeld worden gebracht en wordt het ‘ongeziene’ steeds meer ‘gezien’. Dit heeft tot gevolg dat in wetenschappelijke kringen steeds vaker de overtuiging wordt opgebouwd dat de oorsprong van wat wij ‘leven’ noemen in het licht van deze nieuwe ontdekkingen grondig moet worden herzien. Was ooit het kleinst waar­neembare deeltje materie het atoom, tegenwoordig spreekt men over de subatomaire fysica en worden kwantumdeeltjes waargenomen die patronen te zien geven volgens een eigen wetma­tigheid, een loopje nemen met de wetten van Newton2  en non-lokaal kwantumgedrag verto­nen. Achter de wereld van de ons bekende materie blijken andere werelden van astrale mate­rie te worden waargenomen, waar andere wetmatigheden gelden en die grenzen aan wat wij de werelden van de geest zouden kunnen noemen. Daardoor zullen in de naaste toekomst materie en geest van hun klassieke interpretatie moeten worden ontdaan om plaats te maken voor een hele nieuwe wereld van kennis en beleving ten aanzien van deze begrippen. Steeds vaker zullen wij gaan waarnemen dat er een religieuze wetenschap ontstaat en een weten­schappelijke religie, totdat tenslotte deze grenzen vervagen en er een synthese tussen weten­schap, religie en filosofie plaatsvindt om op te gaan in een kennis- en wijsheidsreligie als één geheel. Vanuit die synthese, dit nieuwe paradigma, zal er geen plaats meer zijn voor een orthodoxe theologische benadering van het leven en het begrip God, en zullen de grond­stellingen van de Oude Wijsheid worden ondersteund door deze geheel nieuwe wetenschap. Ongetwijfeld zal dit grote gevolgen hebben voor de manier waarop wij tegen het leven als maatschappij zullen aankijken en hoe we met elkaar zullen omgaan. Er zal echter ook een nieuwe tweestrijd ontstaan tussen enerzijds hen die dit nieuwe licht niet kunnen en willen waarnemen en de nieuwe mens die zich baseert op deze nieuwe visie. Het zij zo. De paren der tegenstellingen zullen actief blijven totdat het grote Licht iedereen verlicht en door iedereen begrepen en ervaren wordt, waardoor het thuiskomen in ons Zelf collectief zal worden onder­gaan.

 

De energievoorziening in de wereld

Ondanks de vorderingen van de wetenschap op tal van terreinen, blijft het energieverbruik een probleem dat men niet een-twee-drie kan oplossen. De fossiele brandstoffen olie, aardgas en steenkool raken langzaam maar zeker op. De meningen over het aantal jaren die ervoor staan lopen sterk uiteen. Pessimisten spreken over minder dan vijftig jaar, optimisten durven zelfs vijfhonderd jaar aan te geven. Een en ander is sterk afhankelijk vanuit welke invalshoek (po­litiek/wetenschappelijk) de zaak wordt bekeken en uitgaande van de huidige stand van de techniek om fossiele brandstof te winnen. De wereld is echter verslaafd geraakt aan fossiele brandstof en kan gewoon niet meer zonder. De razendsnelle opkomst van India en in het bij­zonder China als een economische grootmacht, baart veel wetenschappers en politieke leiders zorgen. De honger van China naar olie zal binnen enkele jaren die van de Verenigde Staten en Europa naar de kroon steken, waardoor wellicht een mondiaal olieprobleem zal ontstaan. De strijd om de olievelden in de wereld zou volgens de Amerikaanse professor Michael Klare wel eens kunnen leiden tot een Derde Wereldoorlog, en deze is volgens hem dichterbij dan wij denken3. Mocht er zich waar ter wereld een enorme ramp voordoen, in welke vorm dan ook, waardoor de infrastructuur van een hele maatschappij wordt vernietigd, dan hebben we een héél groot probleem. Alles is afhankelijk van energie. Trek de stekker eruit, en de hele maatschappij komt tot stilstand.

    

Het is hoopvol dat er de laatste jaren diverse ontwikkelingen gaande zijn om alterna­tieve energie te winnen door bijvoorbeeld windmolens, zonnepanelen, waterkracht en bio-energie­technieken. Tevens wordt er veel onderzoek gedaan naar motoren die op waterstof of ethanol kunnen lopen en zijn er al auto’s en bussen die proefdraaien. De meningen hierover zijn ech­ter vanuit verschillende invalshoeken verdeeld. Ook de elek­trische auto staat uiteindelijk ter discussie, omdat men bij het opladen toch afhankelijk is van het ener­gienetwerk zoals wij het nu kennen. Het onttrekt daaraan enorm veel energie zodat er uiteindelijk meer vervuiling optreedt dan dat er een bijdrage wordt geleverd aan een schoner milieu. Een van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van alternatieve energie komt van Nederlandse bodem en wordt ‘blue energy’ ge­noemd. Een Nederlands bedrijf ontwikkelt momenteel een (goedkoop) membraan dat een nieuw type energie­centrale mogelijk maakt. De 'blauwe-energiecentrale' wekt elektrische stroom op door het gecontroleerd mengen van zout en zoet water, een proces dat ook wel om­gekeerde electro-dialyse wordt genoemd. Naar het zich laat aanzien is dit een schone en milieu­vriendelijke vorm van het opwekken van energie. Kernenergie voorziet veel landen voor een deel van hun totale energiebehoefte, produceert geen CO2, maar kent het grote pro­bleem van het kernafval en de risico’s van een kernramp. De zeer zware aardbeving en de daarop volgende verwoes­tende tsunami aan de Japanse noordoostkust op 11 maart 2011, die behalve duizenden mensen het leven kostte en ontzettend veel materiële schade aanrichtte, was ook fataal voor een aantal kerncentrales. Het geeft aan hoe ge­vaarlijk deze zijn. De straling die bij een zwaar ongeluk met een kerncentrale vrijkomt, waardoor grote gebieden voor een zeer lange tijd onbewoon­baar worden, de hele voed­selketen in een grote straal rond het rampgebied besmet raakt en wellicht uiteindelijk duizenden doden tot gevolg zal hebben, is daardoor een onacceptabele vorm van energiewinning. De risico’s zijn simpelweg té groot voor het welzijn van al wat leeft en vernietigend voor de opgebouwde welvaart. Voorts is het zo dat de wetenschap de effecten op langere termijn en zelfs de reikwijdte wereldwijd van een dergelijke ramp niet of nauwelijks kent.

  

Het meest optionele alternatief op grote schaal voor ons mondiale energieprobleem in de nabije toekomst lijkt vooralsnog kernfusie. Het enige wat je daarvoor als grondstof nodig hebt is: zeewater! Om echter het proces van kernfusie te beheersen en rendabel te maken, is een zeer geavanceerde technologie nodig en deze kost miljarden dollars. Een begin is echter gemaakt met de bouw van ITER (International Tokamak Experimental Reactor) in het Zuid-Franse Cadarache. De huidige partners in het ITER-project zijn Europa, Japan, China, de Verenigde Staten, de Russische Federatie, India en Zuid-Korea. Europa heeft een leidende rol in het project, en draagt ongeveer vijftig procent bij in de kosten5. Maar wij moeten niet te vroeg juichen, want voordat er daadwerkelijk ‘commerciële’ kernfusiecentrales gebouwd kunnen worden en veilig operationeel zijn, zullen tenminste vijftig jaren vanaf nu verstreken zijn. Alhoewel kernfusie voor de hele wereld het ‘ei van Columbus’ lijkt te zijn omdat het onuitputtelijk is, absoluut schoon en geen afval kent in het opwekkingsproces dat schadelijk is voor het milieu, liggen er toch talloze gevaren op de loer. Een dergelijk proces kan alleen worden gerealiseerd in een politiek stabiele en veilige omgeving zonder oorlog. En dit garantiekaartje kan er niet worden aangehangen. Er is zoveel in de wereld waar een mondiale dreiging vanuit gaat, dat men mag hopen dat dit energieopwekkingprogramma meer dan vijftig jaar lang ongestoord kan worden ontwikkeld. Die kans is helaas niet erg groot, omdat een mondiale mentaliteitsverandering met dit energieontwikkelingsproces parallel moeten lopen om deze energievorm te verdienen. Het huidige algemene denken laat helaas een ander beeld zien. 

 

De macht van het geld en als de dollar valt

De algemene tendens in de wereld is een combinatie van macht, geld en zelfzucht, waardoor de globalisering door veel slimme lieden handig wordt gebruikt om er dik aan te verdienen ten koste van anderen. Mede daardoor èn nationaal protectionisme door rijke landen van hun producten is er vaak geen afzetmarkt voor de arme landen. Het internationale monetaire systeem laat ook niet toe dat de rijkdommen van deze aarde eerlijk worden verdeeld. Leningen door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) aan arme landen, die vrijwel nooit in staat zijn hun schulden af te lossen, maken het probleem alleen maar erger. Het oude spreekwoord money is the root of all evil gaat voor een groot deel zeker op. Het gevaar van het internationale monetaire systeem is dat het zeer gevoelig is voor ontwikkelingen op de vrije markt en beurskoersen. Het hangt voor een groot deel af van het spel van de grote internationale banken in de wereld van lenen, schulden, rente en aflossen waar honderden miljarden dollars in omgaan. In zijn boek Als de dollar valt van de journalist Willem Middelkoop schetst hij een scenario dat zomaar ineens op ons af kan komen: de crash van de dollar! Al onze ‘zekerheden’ kunnen dan plotseling als ‘sneeuw voor de zon’ verdwijnen. Ook wellicht als de euro valt…

 

Waarom deze zaken in dit boekje worden genoemd? De grote bewustzijnsverandering die nodig is willen wij als mensheid een nieuw tijdperk binnengaan, zal de ontmanteling moeten betekenen van politieke, religieuze en monetaire instituten (en aan dit laatste gekoppeld economische systemen) van de ‘oude wereld’, die tegengesteld zijn aan de groei van de mens als een geestelijk goddelijk wezen en daarvoor een belemmering zijn. Uit een nieuw bewustzijn, dat is gebaseerd op het besef van de eenheid van alles wat bestaat, moeten derhalve nieuwe maatschappelijke systemen voortkomen die er in de eerste plaats op zijn gericht om het algemene welzijn (lees wel-zijn!) van mens, flora en fauna te bevorderen, en welvaart dient daar onverbiddelijk de dienaar van te zijn. Welvaart is daarbij een hulpmiddel om het welzijn te helpen bevorderen.  Niet een grote zak met geld die vaak wordt ‘verdiend’ over de rug van anderen, maar een grote zak met mededogen en liefde voor al wat leeft. Als deze mondiale ommekeer niet plaatsvindt, kan er geen stabiliteit is de wereld plaatsvinden en zal wellicht het programma voor kernfusie niet kunnen worden gerealiseerd, met alle vreselijke gevolgen voor de hele wereld in het verschiet, omdat de klok niet meer kan worden teruggedraaid.

 

Willen wij op den duur ‘overleven’, dan zullen wij een ander bewustzijn moeten ontwikkelen en een duurzame oplossing moeten vinden voor het komende energieprobleem. Het een hangt echter met het ander samen. Alleen indien wij bereid zijn om het leven op een andere wijze te gaan beschouwen en een meer spirituele visie ontwikkelen ten aanzien van onze oorsprong, waarom wie hier op aarde zijn en wat onze bestemming is, zullen wij anders met onze medemens en onze omgeving omgaan en zal alles om ons heen mee veranderen.

 

NGO’s en de Cradle to Cradle filosofie

Langzaam tekent zich wereldwijd een proces van bewustzijnsverandering af in de goede richting. Het acht-uur-journaal laat ons niet de werkelijke wereld zien, maar alleen die beelden die een sensationele nieuwswaarde hebben. Maar overal ter wereld werken dagelijks duizenden mensen, individueel en collectief, voor het welzijn van anderen in vaak moeilijke omstandigheden. In veel landen werken allerlei NGO’s (niet-gouvernementele organisaties) om de minder bedeelden in deze wereld de meest essentiële hulp te bieden en zorgen ervoor dat zij in een bescheiden levensonderhoud kunnen voorzien. GEEF en verander de wereld, het boek van Bill Clinton, de voormalige president van de Verenigde Staten, is bijvoorbeeld een grote inspiratie voor mensen die zich op enigerlei wijze via NGO’s voor anderen en het milieu belangeloos willen inzetten. Clinton geeft tal van voorbeelden en schetst vele mogelijkheden om aan de slag te gaan. “We all have the capacity to do great things” zegt hij op de achterflap van zijn boek. Het geloof dat we als individu tot grote daden kunnen komen, wordt door zijn visie gestimuleerd. Ook de voormalige vicepresident onder Clinton, Al Gore, heeft een duidelijke boodschap om anders met onszelf en onze omgeving om te gaan. Inmiddels Nobelprijswinnaar, te danken aan zijn zorg voor en boodschap over het milieu, heeft hij in korte tijd een bewustwordingsproces op gang gebracht dat het roer om moet. De kracht daarbij is dat zijn boodschap eerder een morele dan een politieke is. Het feit dat op het niveau van de ex-president en ex-vicepresident van de Verenigde Staten zulke duidelijke ideeën en signalen worden afgegeven die vele miljoenen inmiddels hebben geraakt, wil zeggen dat er langzaam bewustzijnprocessen op gang komen om anders met elkaar, het milieu en onze grondstoffen om te gaan. De Cradle to Cradle filosofie van William McDonough en Michael Braugart in hun boek Cradle to Cradle - afval = voedsel6 sluit hierbij aan en is een voorbeeld van circulaire economie die kan bijdragen tot een totaal andere wijze van denken over het duurzaam produceren van goederen. Volgens deze filosofie zijn productieprocessen schoon, worden ecosystemen geïntegreerd in onze steden en gebouwen, zijn producten na gebruik volledig te ontmantelen in waardevolle grondstoffen en is de consument geen vervuiler meer. Ook dit is een bouwsteen voor een wezenlijk andere manier van denken op het gebied van economie in combinatie met ecologie, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor mens en milieu.

 

Ondanks nieuwe, hoopvolle ontwikkelingen in de wereld blijft de situatie echter kritiek. Met de verkiezing van Barack Obama tot president van de Verenigde Staten ging er een golf van nieuwe hoop door de wereld, maar ook Obama zag en ziet zich geplaatst voor enorme machtsblokken en gevestigde instituten, en weet inmiddels dat men een lange adem moet hebben wil men fundamentele veranderingen doorvoeren. Ervin Laszlo zou wel eens gelijk zou kunnen hebben als hij in zijn boek Het chaos-punt spreekt over een ‘point of no return’ rond 2012, het einde van de Maya-kalender. Deze kalender geeft het aflopen en het begin van een nieuwe cyclus aan in de evolutie van de aarde waar een grote esoterische kennis achter schuil gaat. Daar moeten wij lering uit trekken en niet in angst gaan zitten afwachten voor ‘wat er gaat gebeuren’. We moeten vooruit! De tijd van salonfilosofieën is voorbij. Het is geen drie minuten voor twaalf, maar wel kwart voor twaalf. Op alle niveaus in de maatschappij zullen mensen zich moeten heroriënteren, herstructureren, oude dingen loslaten en nieuwe opbouwen. Een nieuw spiritueel elan moet zich aandienen, dat niet afhankelijk is van instituten, geloofsinstellingen en persoonlijke bespiegelingen over ‘spiritualiteit’, maar van een inzicht in de Wetten van de Natuur, goddelijke Wetten, waaraan iedereen en alles in het ons zichtbare en onzichtbare heelal aan onderhevig is - of men dit nu gelooft of niet – en waar naar geleefd moet worden. Dan kan 2012 een nieuw begin worden van een nieuwe wereld van spiritueel bewustzijn. De keuze is aan ons! Individueel en collectief!

 

Ter afsluiting

In dit boekje is op een bescheiden wijze getracht de grondslagen uiteen te zetten van de Oude Wijsheid, hoe ermee aan de slag te gaan in het NU en een perspectief te bieden voor de toekomst. Veel onderwerpen uit de leringen van de Oude Wijsheid moesten echter onbesproken worden gelaten omdat de pagina’s hiertoe niet voldoende ruimte boden.

 

Walk your talk zeggen de Amerikanen, en what you are speaks louder then what you say. Laat het zo zijn. Theoretisch opgedane spirituele kennis moet worden vertaald in praktische ethiek, anders blijft het een salonfilosofie. Wijsheid is niet te koop en te leren. Wijsheid ontstaat door toegepaste spirituele kennis en onpersoonlijke liefde naar alles en iedereen in de praktijk van alle dag, overal, onder alle omstandigheden. Ware, onpersoonlijke liefde voor al wat leeft is het cement van het universum. Moge al deze woorden weerklank vinden in uw hart en denken! 

 

1) Het evangelie van Boedha - Paul Carus - pag. 114 t/m 115 - N. Kluwer - Deventer 1961

*) Alle aanhalingen uit de Bijbel - Het Nederland Bijbelgenootschap - Amsterdam 1977

2) http://nl.wikipedia.org/wiki/Wetten_van_Newton

3) Interview bij RTL Z, 22-11-2007 om 16.41 uur

4) http://www.kennislink.nl

5) http://www.fusie-energie.nl/index.htm

6) http://nl.wikipedia.org/wiki/Cradle_to_cradle    

                                  

 ******* 

 

And the time will come when you see we’re all one and life flows on within you and without you

 

- George Harrison

 

Bronnen en inspiratie

 

De Geheime Leer - H.P. Blavatsky - Theosophical University Press Agency - Den Haag 1988

 

Bijbel - Het Nederlandsch Bijbelgenootschap - Amsterdam 1977

 

Het Evangelie van Boeddha - Paul Carus - N. Kluwer - Deventer 1961

 

De Bhagavad Gîtâ - W.Q. Judge - Ankh-Hermes - Deventer 2003

 

Arjuna - Tijdschrift jaargang 1 (1996) t/m 8 (2003) - Stichting “De Phoenix” - Breda

 

Het Innerlijk Licht - Juda - Stichting “De Phoenix” - Breda 2003

 

De kracht van het NU - Eckhart Tolle - Ankh-Hermes - Deventer 2002

 

Het Veld - Lynne McTaggert - Ankh-Hermes - Deventer 2006

 

Het chaos-punt - Ervin Laszlo - Ankh-Hermes - Deventer 2007

 

GEEF en verander de wereld - Bill Clinton - Balans - Amsterdam 2007

 

Cradle to Cradle - William McDonough en Michael Braungart - Search Knowledge/Scriptum - Heeswijk 2007

 

Als de dollar valt - Willem Middelkoop - Nieuw Amsterdam Uitgevers - Amsterdam 2007

 

Buitenaardse beschaving - Stefan Denaerde - N. Kluwer - Deventer 1969 

 

De LotusCirkel
Bewustwording van de Eenheid van al het Bestaande