ARTIKELEN

 

In deze rubriek treft u de volgende arikelen aan:


* De Bhagavad Gîtâ- Het Boek van Yoga (Handout bij de lezing Het Arjuna-perspectief) door Robert A. Pullen


* Men is wat men denkt! door Juda


* Eén Leven, één Wet, één Doel! door Juda


* Reïncarnatie: kiezen wij onze ouders? door Robert A. Pullen


* Theosofie en seksualiteit door Robert A. Pullen


______________

Van alle artikelen berust het ©copyright bij Stichting "De Phoenix" te Breda. Gehele of gedeeltelijke overname voor herpublicatie alleen met schriftelijke toestemming van de uitgever.


De Bhagavad Gîtâ - Het Boek van Yoga

 

De Bhagavad Gîtâ - Het Boek van Yoga


(Handout)


Een introductie op de lezing Het Arjuna-perspectief door Robert A. Pullen


De Veda’s vormen de oudste heilige geschriften van India. Er zijn vier Veda’s, te weten de Rig-Veda, de Yajur-Veda, de Sâma-Veda en de Atharva-Veda, waarvan de Rig-Veda de oudste is. De Upanishaden vormen het laatste deel van de Veda’s en kunnen worden beschouwd als de meer esoterische kennis van de vedische wijsheid. Samen met de Mahâbhârata (waar de Bhagavad Gîtâ een onderdeel van is) en de Râmâyana - die een onderdeel van de Purana’s vormen - zijn de Upanishaden een onderdeel van de Vedânta. Sankarâchârya is de grondlegger geweest van het Vedântijnse stelsel van filosofisch denken, waaruit zich de Adwaita-Vedânta heeft ontwikkeld, de leer van het non-dualisme. De Yoga-school is één van de zes Darshana’s (wijsgerige scholen) en wordt verondersteld gesticht te zijn door Patañjali. Een andere bekende Darshana is de Sânkhya-school, die werd gesticht door Kapila Rishi, een school waar in zeker opzicht het dualisme werd onderwezen met betrekking tot Purusha en Prakriti. Zowel de Yoga-school van Patañjali als de Sânkhya-school van Kapila Rishi behoren tot de post-vedische periode.


Termen als yoga, meditatie, aura en chakra's en zelfs de 'Gîtâ' zijn geleidelijk in de afgelopen dertig jaar opgenomen in het taalgebruik van de West-Europese landen en de Verenigde Staten van Amerika en worden in sommige kringen net zo gewoon gebezigd als ieder ander dagelijks woord. Wat yoga betreft: was het dertig jaar geleden nog zo dat men vreemd werd aangekeken als men in zijn omgeving vertelde dat men 'aan yoga deed', tegenwoordig lijkt iedereen op 'yoga te zitten', van de bakker tot de advocaat en van de huisvrouw tot de minister. Voor de gemiddelde yogabeoefenaar is yoga dan ook iets waardoor men zich prettig en ontspannen voelt en dat als rustgevend wordt ervaren. Over het algemeen weet men echter niet wat yoga létterlijk betekent. Een enkeling is in staat om te zeggen dat het woord eenwording betekent, maar als men vraagt eenwording waarmee, dan moet zelfs deze enkeling vaak verstek laten gaan. Om kort te gaan: de meeste mensen zien yoga als een bezigheid van ontspanningsoefeningen, zonder zich ooit in de achtergrond van het begrip yoga als systeem of filosofie te hebben verdiept. Daar is op zich niets mis mee, maar het begrip 'yoga' zoals dit over het algemeen is ingeburgerd in het Westen, heeft uiterst weinig te maken met wat Yoga in zijn filosofische, religieuze en wetenschappelijke betekenis inhoudt tegen de achtergrond van de aloude oosterse wijsbegeerte, zoals bijvoorbeeld de Bhagavad Gîtâ en de Yoga Aforismen van Patanjali. Daarom iets over Yoga tegen die achtergrond. Zoals reeds gezegd, betekent Yoga letterlijk eenwording. De vraag is echter eenwording waarmee? De aloude Indiase wijsbegeerte kent het begrip Brahman (niet te verwarren met het mannelijke Brahmâ) dat staat voor het Onkenbare, Ene Universele BEGINSEL waar alles uit voortgekomen is; het is ondenkbaar en onuitsprekelijk en gaat vooraf aan iedere vorm van manifestatie, waar ook in de uitgestrektheid van het Universum. Het ware doel van Yoga voor de mens is om Eén te worden met Brahman, met dit Alomtegenwoordige BEGINSEL. Niet in de zin dat men er nu van is afgescheiden en er iets moet worden samengevoegd, maar dat men zich volledig bewust wordt van de Eenheid van al het Bestaande. Deze Eenheid is geen vage filosofische hypothese, maar een levende WERKELIJKHEID en een feit in de Natuur. Yoga houdt de volledige bewustwording of de ontplooiing van die toestand van bewustzijn in, waarin deze Eenheid als de enige WERKELIJKHEID wordt ervaren. Kernachtig gezegd is dát wat Yoga in de ware filosofi-sche betekenis van het woord inhoudt. In het oude India waren verschillende yogasystemen die voor dit doel waren ontwikkeld. Zo kennen wij bijvoorbeeld het systeem van Karma-Yoga of de yoga door middel van handelen; Jñâna-Yoga of de yoga door middel van kennis; Bhakti-Yoga of de yoga door middel van toewijding (devotie); Râja-Yoga of de yoga door middel van de concentratie en beheersing van het denken en Hatha-Yoga of de yoga door middel van lichaams- en ademhalingsbeheersing. Deze laatste yoga is in zijn afgeleide vorm de populairste van alle huidige yoga-verrichtingen in het Westen. In tegenstelling tot de vaak vele vormen van de huidige westerse varianten op deze verschillende oude yoga-systemen, waren zij alle gericht op eenwording met de Allerhoogste Geest, met daaraan gekoppeld een levenswijze, die de meeste westerlingen waarschijnlijk nog geen dag zouden volhouden, omdat in het Westen de ethiek en de filosofie meestal worden losgekoppeld van de yoga als techniek en men zich in ethiek en filosofie niet traint, om van de kennis van de occulte krachten ten aanzien van mens en universum al helemaal niet te spreken.


Wat de Bhagavad Gîtâ betreft is er waarschijnlijk nimmer in de geschiedenis van de mensheid een diepzinniger en tegelijkertijd duidelijker geschrift ontstaan als het gaat om de religieuze, filosofische en praktische betekenis van dit alom geprezen werk. Zij omvat alle yoga-systemen uit de oudheid (met uitzondering van Hatha-Yoga) en is - in het bijzonder voor Westerlingen - het meest aan te raden boek van Yoga om het Pad dat zij wijst te volgen. Zij is ontstaan in een tijd die, gezien haar grote ouderdom, niet meer precies te traceren valt. De geleerden verschillen hier nog steeds over van mening. Wonderbaarlijk is de boodschap en zuiverheid ervan door de eeuwen heen bewaard gebleven. De Bhagavad Gîtâ is een onderdeel van het klassieke Indiase epos de Mahábhárata, geschreven door een zekere Vyasa, en kent achttien hoofdstukken. In deze hoofdstukken gaat het om de samenspraak tussen Arjuna en de Heer Krishna, respectievelijk de Boogschutter en zijn Wagenmenner, welke laatste de teugels in handen heeft van de vier paarden, die het span vormen voor de strijdwagen waarin beiden staan. Op een vlakte staan twee legers tegenover elkaar, de Kuru's en de Pandava's, die op het punt staan strijd te voeren over de soevereiniteit van Hástinapura (een plaats die, naar men aanneemt, het huidige Delhi in India is). Beide legers behoren tot dezelfde stam, het huis van Bharat, waarbij de Kuru's de oudere en de Pandava's de jongere tak vertegenwoordigen. Op het moment dat de boogschutters van beide legers hun bogen spannen en de eerste pijlen over en weer afschieten, vraagt Arjuna, die tot het leger van de Pandava's behoort, zijn wagenmenner (Krishna) de strijdwagen te plaatsen tussen de twee legers in, zodat hij een goed overzicht heeft van de gelederen. Grote ontsteltenis en afschuw maakt zich van Arjuna meester als hij aan beide zijden grootvaders, ooms, neven, leermeesters, zonen, broers, naaste verwanten en boezemvrienden, in slagorde opgesteld, ziet staan. Dit heeft tot gevolg dat Arjuna zijn boog en pijlen neerwerpt en weigert te strijden. Krishna echter weet hem door argumentatie te overreden de strijd te strijden. In de argumentatie van Krishna om de strijd te strijden ligt de kern van de hele samenspraak. Men moet zich van het begin af aan wel rekenschap geven van het feit dat de allegorie van de samenspraak, van de diverse personages en van de attributen die worden genoemd, op verschillende wijzen esoterisch kunnen worden geïnterpreteerd. In de Judge-uitgave heeft zij in haar esoterische betekenis in het bijzonder betrekking op de individuele mens. Als zodanig kan Krishna als het Hoger Zelf worden beschouwd, Arjuna als het Denkvermogen, de Kuru's en de Pandava's respectievelijk als de negatieve en positieve krachten in de Natuur (en in afgeleide vorm in de mens), de strijdwagen als het menselijk lichaam, het vierspan paarden als de hartstochten en begeerten en de vlakte waar de strijd moet worden gestreden als de praktijk van het dagelijks leven, waar - als men het oor te luisteren legt bij de goddelijke raad van Krishna, ons Hoger Zelf - de 'strijd' inderdaad 'gestreden' moet worden.


Om de boodschap en het doel van de Bhagavad Gîtâ goed te kunnen begrijpen, zullen eerst een aantal zaken uiteengezet moeten worden op basis van een aantal universele principes, geworteld in de Oude Wijsheid of de Gupta Vidyâ, die de ware grondslag vormen van de esoterische zijde van de Bhagavad Gîtâ, de Veda's en de Vedanta, het Hindoeïsme in het algemeen en het Boeddhisme. Daarom is het van belang om eerst een antwoord trachten te vinden op de vraag: wat is de oorsprong en het doel van het bestaan en wie en wat is de mens?


In de lezing Het Arjuna-perspectief zal nader worden ingegaan op deze intrigerende vraag en zal in relatie tot het begrip Yoga en de Bhagavad Gîtâ hierop vanuit de grondslagen van de Oude Wijsheid worden getracht een antwoord te formuleren.

 

Men is wat men denkt!

                                         

Men is wat men denkt!

door Juda

Wat voor veel mensen moeilijk te aanvaarden valt, is voor anderen juist een bevrijdende gedachte: de Theosofie legt de verantwoordelijkheid voor alles wat een mens in zijn leven overkomt bij hemzelf. Geen 'genade Gods' of 'vergeving' door een hogere macht van begane 'zonden' door gebed, meditatie of het 'afkopen' ervan, maar inzicht verwerven in eigen denken en handelen en zelf daarvoor verantwoordelijk zijn op basis van Kennis. Wat voor veel mensen ook niet echt aantrekkelijk is in de Theosofie, is dat het allemaal zo 'lang' duurt, veel tijd vergt om een gedegen studie te maken van de wetmatigheden waar mens en kosmos aan onderhevig zijn en die de grondslag van het bestaan vormen. Het is ook nogal wat. Vele eeuwen is, met name voor de Westerse mens, uitgemaakt hoe hij moest denken en handelen op basis van een theologische dogmatiek, waarbij iedere vorm van zelfstandig denken grondig de kop in werd gedrukt en zijn afhankelijkheid van 'God' als een nietszeggende zondaar heel sterk werd benadrukt. Wat voor verwrongen generaties in denken en handelen daaruit voort zijn gekomen, daar is de christelijke wereld in zijn algemeenheid in vele vormen nog steeds een voorbeeld van, de meer verlichte zielen en oprechte nadenkers in die kringen niet te na gesproken. Kijk bijvoorbeeld naar de strijd nog niet zolang geleden tussen de protestanten en katholieken in Noord-Ierland en de dwaze traditie van de oranjemarsen aldaar of naar de shows van Amerikaanse tv-dominees, die zichzelf opwerpen als bemiddelaars tussen 'God' en hun 'zondige' toehoorders.   
De Theosofie leert met de grootste nadruk dat de mens een zelfstandig denkend wezen en goddelijk van oorsprong is. De God die de Westerse mens vele eeuwen lang heeft leren aanbidden, is niet iets wat buiten hem staat, maar is zijn eigen Hoger Zelf, zijn eigen Goddelijke Kern. Het is de Heilige Essentie van zijn zevenvoudige samenstelling: de aanzet en de drijfkracht van wat men het leven noemt in de totaliteit van al haar aspecten. Dat is niet iets wat 'boven' of  'buiten' hem staat, maar hij is het Zelf! Dat veel mensen met een christelijke achtergrond dit niet (h)erkennen, heeft te maken met bovengenoemde zaken, die in plaats van bewustzijnsverruiming tot bewustzijnsvernauwing leiden. Indien het feit wordt ingezien dat de mens als een geïndividualiseerde godheid zelf verantwoordelijk is voor zijn denken en handelen en daar de consequenties van moet aanvaarden, krijgt het leven een heel andere vorm. Niet langer is men dan de eeuwige zondaar die tot niets in staat is, behalve tot bidden en vergeving vragen aan een buiten hemzelf staande 'God', maar is men verantwoordelijk voor het eigen levensgeluk en dat van anderen door onze verbondenheid met de ons omringende natuur, en kan men daar ook op worden aangesproken, wat dan ook gebeurt door middel van de werking van de Wet van Karma oftewel de Wet van Oorzaak en Gevolg. Stelt u zich eens voor hoe uitermate bevrijdend de gedachte kan zijn, dat u geen verantwoording meer hoeft af te leggen aan of 'bang' hoeft te zijn voor een 'bestraffende' God als u iets 'verkeerds' heeft gedaan; of dat u geen eeuwig brandende 'hel' te wachten staat voor het begaan van al uw 'zonden', maar dat u op basis van kennis van uzelf, van wat u werkelijk bent en van wat het doel is van uw bestaan, een eigen opdracht, een opdracht áán uzelf dóór uzelf kunt afgeven om uw leven te leiden in overeenstemming met de Wetten van de Natuur, waarvan uzelf een onderdeel bent. Als u vanuit die houding en met de kennis die de Theosofie biedt ten aanzien van mens en kosmos uw medemensen en de u omringende natuur tegemoet treedt, kunt u zich dan voorstellen dat uw leven een heel andere wending zal nemen? Fouten maken in het leven is dan geen 'zonde' meer, maar een noodzakelijk onderdeel van een uitgebreid leerproces, tenzij u - uiteraard - willens en wetens met uw volle verstand blijft volharden in het begaan van 'misstappen', terwijl u de consequenties daarvan terdege beseft. Het leven te zien als een dynamisch, vloeiend proces, waar fouten worden gemaakt, maar waar de volle mogelijkheid aanwezig is om deze ook weer te herstellen, omdat u weet dat u een Goddelijk Wezen bent en alle andere mensen dit ook zijn, en dat u in het proces om te groeien in liefde en wijsheid op z'n minst uw uiterste best doet - want meer kunt u ook niet doen - is een bemoedigend en inspirerend perspectief. Binnen het kader van dit geheel bent u verantwoordelijk voor uw eigen denken en handelen, temeer omdat uw denken uw menszijn bepaalt als het bemiddelende aspect van uw zevenvoudige samenstelling tussen uw 'lagere' en hogere natuur, of, met andere woorden, tussen dat wat u werkelijk bent en dat wat u als hulpmiddelen heeft, bijvoorbeeld uw stoffelijk lichaam als een noodzakelijk voertuig in uw huidige staat van evolutie. Uw eigen denken maakt u verantwoordelijk voor alles wat daarmee samenhangt, en dat is uw hele leven! Wat u ooit heeft gedacht in vorige levens, dat heeft u gemaakt tot wat u nu bent, en wat u nu denkt, is bepalend voor wat u in komende levens zult zijn. De kwaliteit van uw leven wordt bepaald door de kwaliteit van uw eigen denken. Vandaar dat opbouwende gedachten, die hun wortels hebben in een meer geestelijke en onzelfzuchtige levensinstelling, een heilzame en verheffende werking hebben op andere mensen en de kwaliteit van uw eigen leven verbeteren. Kennis van de aard van het denkvermogen is daarom van groot belang. Het biedt u de mogelijkheid inzicht in uzelf en in anderen te krijgen waardoor u in staat wordt gesteld om het leven te leiden op een verantwoorde wijze en in overeenstemming met de ethiek die door alle grote wereldleraren in de voorbije eeuwen is gepredikt. Maak uzelf vrij door zelfstandig en met kennis en inzicht te denken. Neem uw eigen verantwoordelijkheid in de wetenschap dat u overal en altijd verantwoordelijk bent voor uw eigen leven. Bepaal daarmee zelf uw karma. Bidt niet tot 'God' maar wees een god, want dat is wat u bent in uw diepste essentie. Probeer dit uit te drukken in al uw handelen en denken, met vallen en opstaan. Want bedenk: men is wat men denkt!

Eén Leven, één Wet, één Doel!

                                   

Eén Leven, één Wet, één Doel!

door Juda

Levensuitingen zijn er in ontelbare variaties. De dieren- en plantenwereld bijvoorbeeld kent onvoorstelbaar veel maten en soorten. Ook het mensenrijk bestaat uit een grote variatie van typen naar etnologische indeling en van lichamelijke kenmerken, karakter en bewustzijn. Ook de uiterlijke wereld van de door de mens gecreëerde dingen, geuren, kleuren en klanken, geeft een oneindige variëteit te zien aan beleving, vormen en toepassingen. Zo geeft het uiterlijk leven een oneindig spel te zien van mensen, dieren, planten en dingen; van actie en reactie in hun onderlinge betrekkingen en afhankelijkheid. Zij vormen gezamenlijk een spel van middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten binnen het veld van de paren van tegenstellingen in de Natuur in een nimmer eindigende dans des levens. Betrekken wij daarbij ook alles buiten onze planeet, zoals de andere planeten van ons zonnenstelsel, de zon zelf en, nog weidser, ons Melkwegstelsel en in feite het gehele Universum, dan duizelt het ons om dit alles te bevatten. Maar ook dit is slechts een aspect van een nog groter geheel, want indien wij de astrale, psychische en geestelijke werelden eveneens bij dit alles betrekken, dan komt men tot het intuïtieve inzicht dat dit niet meer met het denken te bevatten valt, maar alleen kan worden ervaren vanuit een bepaalde toestand van bewustzijn.

De vraag die nu zou kunnen worden gesteld, is of wat hierboven is beschreven ook daadwerkelijk allemaal plaatsvindt binnen een kader van de verhouding der dingen, zoals wij dit met onze fysieke ogen, grofstoffelijke high-tech instrumenten en ons bewustzijn waarnemen? Vanuit een gevoel van afgescheidenheid zal dit zeker het geval zijn, daar wij alles 'om ons heen'  beschouwen vanuit 'onszelf' als het centrum van waarneming. Zoals: ik ben ik en ik ben hier en alles wat verder bestaat is om mij heen. Maar wat is 'onszelf', wie is 'ik' en wat is 'hier' en wat is 'om ons heen'?

Misschien ligt het hele probleem van de vele onopgeloste levensraadsels niet in het 'raadsel' van het leven zelf, maar eerder aan de manier waarop wij tegen deze 'levensraadsels' aankijken, omdat wij het leven beschouwen vanuit een egocentrische visie inplaats vanuit een holistische. Misschien denken wij dat we als een zelfstandige unit los staan van het leven om ons heen, zowel innerlijk als uiterlijk. En het is wellicht door die houding dat de 'levensraadsels' voor velen van ons blijven bestaan. Zelfs het intellectueel bestuderen van de leringen van de Oude Wijsheid is niet voldoende om het leven holistisch te ervaren. Men moet in werkelijkheid afstand doen van het gevoel van afgescheidenheid en het leven gaan beschouwen als één geheel, gebaseerd op kennis van en inzicht in de ware grondslag van dat wat wij leven noemen, maar dat slechts een aspect is van het ENE LEVEN waaruit de vele geïndividualiseerde levensvormen voortkomen.

Robert Bowen, een leerling van mevrouw Blavatsky, die onder haar directe leiding in de eervorige eeuw heeft gestudeerd, schreef in 1891 het volgende op papier waarmee hij haar citeerde: "Het ... basis-idee dat je moet vasthouden is dat wat uitgedrukt wordt in het grote Hermetische axioma ...:

    Zo binnen, zo buiten
    zo groot, zo klein
    zo boven, zo beneden
    er is slechts Eén Leven en Wet
    en de besturende Kracht is Eén
    Er is geen binnen, geen buiten
    geen groot, geen klein
    geen hoog, geen laag
    in het goddelijk bestel

Wat je ook in De Geheime Leer uitkiest om te bestuderen, je moet het altijd in verband brengen met [dit] basis-idee ..."*. Ook elders in zijn nagelaten aantekeningen wijst Bowen op de woorden van Blavatsky dat deze '... FUNDAMENTELE EENHEID VAN ALLE BESTAAN'* als de enige WERKELIJKHEID moet worden gezien, en dat de hele studie van De Geheime Leer in dat licht moet worden verricht. De buitengewone nadruk die Blavatsky legt op dit uitgangspunt, vraagt van iedere bestudeerder van de Theosofie om hier grondig over na te denken. Het is namelijk bepalend voor hoe Theosofie bestudeerd, verspreid en als een levende werkelijkheid verwezenlijkt dient te worden. Het zou onze visie op het 'leven' wel eens grondig kunnen veranderen en zelfs van bestudeerders van de Theosofie vragen hun benadering en interpretatie ervan op tal van punten te herzien. Net zomin als wij onszelf in ons persoonlijk bewustzijn ervaren als een samenstel van delen zoals hart, nieren, lever, beenderen, spieren, bloed, aderen, zenuwstelsel etc., maar onszelf en anderen kennen als een totaliteit van dit alles, als een geheel dat wij kennen als Wim of Mohammed of als Margriet of Anneke, als baby, peuter, kleuter, tiener of als jonge of oude volwassene, net zomin dienen wij onszelf te beschouwen als los van de rest van het leven om ons heen. Wij vormen met alles om ons heen één Lichaam, één Ziel en één Bestaan. Ons bewustzijn zou moeten worden verlegd van egocentrisch naar alomvattend, handelend en denkend als zijnde één geheel in het besef, dat ieder geïndividualiseerd deel in al zijn aspecten dit geheel zelf IS. Alles wat bestaat is in ons-Zelf aanwezig! Derhalve hoeft er geen angst meer te zijn voor niets en niemand, want men is alles Zelf, en een allesomvattende, oneindige, niet voorwaardelijke en ongeconditioneerde Liefde is de aard van ons Ware Wezen. Een dergelijke filosofische kijk op het 'leven' geeft een nieuwe inhoud aan levensperspectieven, aan onze omgang met familieleden, vrienden, collega's en alle andere mensen op de wereld, aan ons bekend of onbekend. Uit een dergelijke levenshouding zal een ander denken en handelen voortvloeien naar alles en iedereen. Het zal ons duidelijker ons ware levensdoel en ons-Zelf tonen. Het zal ons dichter bij het tot uitdrukking van ons ware mens-Zijn brengen, en het bewustzijn van de persoonlijke mens langzaam transformeren tot een omni-mens, een mens die geen verschil meer ziet tussen wat hijzelf is en iedere andere vorm van bestaan om hem heen, maar zijn leven zal gaan ervaren als één met Alles.
_______
*Madame Blavatsky en de studie van theosofie door Robert Bowen - Uitgeverij der Theosofische Vereniging in Nederland (1988).

 

Reïncarnatie: kiezen wij onze ouders?

 

Reïncarnatie: kiezen wij onze ouders?


door Robert A. Pullen


Een populaire gedachte in 'new age' kringen is, dat men zijn eigen ouders kiest vanuit een voorgeboortelijke toestand aan het begin van een nieuwe incarnatie. Zonder enige filosofische uitleg wordt vaak beweerd dat aan de vooravond van een nieuwe geboorte de ziel in staat is om zelf te kiezen waar hij geboren wil worden. Vaak dicht men de ziel in die toestand  eigenschappen toe zoals een gereïncarneerde ziel die op aarde heeft, zoals denken en  handelen. Men gaat er haast automatisch vanuit dat de ziel op dezelfde wijze de dingen in haar excarnatietoestand 'ziet' en ervaart zoals wij in onze geïncarneerde toestand. Afgezien nog van het feit dat dit esoterisch-wetenschappelijk niet te verklaren valt - want de wereld van de fysieke vormen verschilt fundamenteel van de wereld(en) van astrale materie en die gebieden die nog veel etherischer zijn -, is het ook een filosofische ongerijmdheid. Wat te denken van bijvoorbeeld een geval, waarbij een vrouw door een verkrachter zwanger raakt en de dader wordt gearresteerd en door een rechter wordt veroordeeld tot een zware celstraf?! Er is toch geen 'ziel' die vanuit de 'hemelwereld' zo'n situatie vrijwillig 'kiest'?! Of al die gevallen waar een ziel incarneert in de meest erbarmelijke aardse omstandigheden. De 'eigen' keuze van een ziel die 'neerkijkt' op de aarde? Vaak is er in dergelijke new age kringen een geromantiseerde kijk aanwezig op het hele proces van reïncarnatie met daarbij een haast totale afwezigheid van enige kennis omtrent de kosmische Wetten die er aan ten grondslag liggen. Wij hebben hier te maken met een verwrongen waarheid, die in zijn oorspronkelijke betekenis een ander beeld geeft van wat wij het 'kiezen' van onze ouders in een nieuwe incarnatie kunnen noemen. De Theosofie stelt ten eerste dat het proces van reïncarnatie onlosmakelijk is verbonden met de Wet van Karma, de Wet van Oorzaak en Gevolg. Ten tweede stelt de Theosofie dat het aardse leven de plek van handelen is, waar men kan kiezen op grond van een actief denkvermogen, en dat de toestand(en) na de dood behoren tot de wereld(en) van de gevolgen, niet van actie, waar alle daden van het laatst geleefde leven worden verrekend, geassimileerd, wat de grove en zelfzuchtige en de fijnere en onzelfzuchtige gedachten betreft. Na de fysieke dood wordt door de Natuur de balans opgemaakt van al onze daden en gedachten en 'bijgeschreven' in het Boek des Levens: de Akâsa Kronieken. De onfeilbare Wet van Oorzaak en Gevolg, Karma, bepaalt dan waar en wanneer en bij welke ouders wij wedergeboren zullen worden, geheel in overeenstemming met ons karmisch potentieel. Na de fysieke dood kunnen wij dus niet 'zelf'  bepalen bij wie wij in de volgende incarnatie geboren willen worden, mede ook vanwege het simpele feit dat wie wij waren als een persoonlijkheid, als lager zelf, een zekere meneer Jansen of mevrouw Pietersen, er eenvoudig niet meer is. Het zijn niet meneer Jansen en mevrouw Pietersen die voortleven na de fysieke dood, maar hun individuele Zelf, hun Menselijke Ziel, de reïncarnerende Ego, in samenhang met hun meest Goddelijk Kern: de Monade, een combinatie van hun Atmische en Buddhische Natuur. Het proces na de fysieke dood voltrekt zich ten opzichte van het aardse bestaan volledig automatisch, zonder dat de reïncarnerende Ego daar in zijn rusttoestand invloed op kan uitoefenen. "Zijn wij dan een speelbal van de natuur, zonder een vrije wil en kunnen wij geen keuzes maken?" zo zou een vraag kunnen luiden. Nee, zegt de Theosofie, die vrije wil hebben wij wel degelijk en keuzes kunnen wij zeker maken, maar hier en nu! Ieder moment van ons leven bepalen wij ons eigen lot. Iedere gedachte die wij denken of handeling die wij verrichten heeft een gevolg, hetzij nog in dit of in het/een volgend leven. Door de gedachten te denken en de handelingen te verrichten die wij nu doen, bepalen wij wie onze ouders in het volgende leven zullen zijn. Niet in de zin dat wij nu hun 'naam' en 'gezicht' al zouden kunnen kennen, maar in de zin van hun karakteristiek, waar wij in het volgende leven automatisch toe aangetrokken zullen worden. Vandaar ook dat de soorten 'ouders' zo divers zijn waar zielen toe aangetrokken worden bij een nieuwe incarnatie. Van liefhebbende, zorgzame ouders die de baby met liefde verwelkomen, tot gevallen waarin een aankomende baby niet door een moeder is gewenst en wordt 'teruggestuurd' door middel van het laten plegen van abortus, omdat de conceptie plaatsvond door bijvoorbeeld verkrachting. Het is dus duidelijk dat het aardse gebied de plaats van de oorzaken is, en het leven na de dood een toestand van gevolgen. Daarom verdienen wij onze ouders in een volgend leven door te kiezen zoals wij nu willen leven!

 

Theosofie en seksualiteit

 

Onderstaand aritkel is gebaseerd op gedachten over seksualiteit in het licht van de Theosofie en wordt gepresenteerd als een discussiestuk. Derhalve is er geen sprake van een 'officieel' theosofisch standpunt.

 

 

Theosofie en seksualiteit


door Robert A. Pullen

Wellicht behoort het begrip 'seksualiteit' tot een van de minst besproken onderwerpen in kringen waar de Theosofie wordt bestudeerd. De reden hiervoor is waarschijnlijk tweeledig. Ten eerste werd er in de vorige eeuw toen de moderne theosofische weergave plaatsvond niet zo open over seksualiteit gesproken dan heden ten dage het geval is, en vindt men derhalve in de klassieke theosofische literatuur vrijwel geen concrete antwoorden op de moderne vragen rond seksualiteit. Ten tweede hebben veel mensen moeite om 'open en bloot' over het onderwerp te spreken en rust er nog steeds een zeker taboe op. Dat verhindert vaak een open gesprek over dit onderwerp in het licht van de Theosofie, omdat vragen erover in het openbaar of binnen de beslotenheid van een studiegroep niet snel worden gesteld. Veel mensen worstelen echter met zaken rond hun seksualiteit. Dit artikel heeft als doel om seksualiteit in het licht van de Theosofie gemakkelijker bespreekbaar te maken.  

Het Victoriaanse tijdperk
Een starre en dogmatische christelijk-theologische ethiek en godsbeschouwing hebben de westerse mens lange tijd niet alleen vervreemd van zijn ware aard en alle krachten en eigenschappen die daaruit voortkomen, maar ook van zijn lichaam. Zoals het eerste was verpakt in lagen van dogmatisch geïnterpreteerde en verdraaide Evangeliën en oudtestamentische verhalen onder de dreiging van hel en verdoemenis, zo was het tweede als gevolg van het eerste verpakt in vele lagen van katoen, wol en zijde in wisselende combinaties van wit, grijs en zwart. Denken en lichaam waren gevangen in een kerker van een dermate enge bekrompenheid, dat het leren verkennen van beide haast onmogelijk was. In het geniep werd er wel 'gezondigd' tegen de kerkelijke moraal, maar dat waren alleen de 'ketters' en de 'zedelijk verdorvenen'. Godvrezende mensen waren mentaal en lichamelijk netjes 'ingepakt'. De opkomst van het materialisme in kunst en wetenschap en het zich afwenden van het geloof en de kerk, bracht een enorme revolutie in de creativiteit van allerlei uitingsvormen met zich mee. Velen gingen zelf bepalen wat zij leuk, prettig en gepast vonden en hadden geen behoefte meer aan christelijke opgestoken wijsvingers, geboden en verboden. Zo ging het ook met de opvattingen over seksualiteit. Velen gingen ontdekken dat de paringsdaad niet alleen een aangelegenheid was om voor nageslacht te zorgen, maar dat het ook een 'aangename bezigheid' kon zijn, waarbij de mogelijkheden tot een 'zalige beleving' legio bleken te zijn. Ook hier sloeg het materialisme toe. De 'scheppingsdaad' werd uit de 'goddelijke sfeer' gehaald, het lichaam werd 'ont-dekt' en opnieuw gekleed, ditmaal geraffineerd 'mooi', en de begeerte ontdekte de 'kunst van het vrijen' en werd daarmee een van de grootste drijfveren tussen man en vrouw om elkaar te ontmoeten.

De jaren 60: de 'seksuele revolutie'
Sinds de 'seksuele revolutie' in de jaren 60 in het Westen op gang kwam, heeft zij op ieder terrein van de seksualiteit 'dogma's' overboord gezet. "Alles moet kunnen" was het credo, en inderdaad, alles 'kan' tegenwoordig. Seksualiteit is maatschappelijk bespreekbaar geworden. Seks mag en wordt op allerlei manieren gestimuleerd. Seksualiteit wordt echter ook geprostitueerd en vercommercialiseerd. Maatschappelijk is er alleen op brede basis een afkeer van kinderporno en pedofilie.
Wat heeft de hele 'seksuele revolutie' het Westen nu gebracht? Is zij alleen maar ontaard in een beerput van slechts dierlijke driften en tomeloze wellustige begeerte, of zat en zit er ook een 'goede' kant aan deze ontwikkeling? Misschien kunnen we stellen dat de overgang van het preutse en dogmatische Victoriaanse tijdperk naar de huidige Westerse 'open en bloot' maatschappij toch een noodzakelijke ontwikkeling is geweest. Alleen in vrijheid kan een mens kiezen en kan hij verantwoordelijkheid op zich nemen. Nooit onder dwang. De seksuele revolutie heeft de (Westerse) mens tot op zekere hoogte 'vrij' gemaakt, maar zij is niet vrijblijvend. Seksuele vrijheid en beleving brengen verantwoordelijkheid met zich mee, maar dan moet men wel weten waaraan die verantwoordelijkheid gerelateerd dient te worden en wat seksualiteit in de meer spirituele betekenis van het woord omvat.
Zoals gezegd hebben veel mensen, ondanks de maatschappelijke openheid ten opzichte van seksualiteit, toch moeite om erover te praten. Ook in 'theosofische kringen' wordt het onderwerp niet vaak aangeroerd, alhoewel velen behoefte hebben om het in het licht van de Theosofie te bespreken.


De Theosofie: wel of geen seks?
"Eten en drinken en geslachtelijke omgang zijn alle natuurlijke noodzakelijkheden van het leven; toch veroorzaakt overdaad ziekte, ellende, mentaal en lichamelijk lijden...". Dit zijn woorden van Mahatma K.H., geschreven in 1882.1 In De Sleutel tot de Theosofie2 wordt de vraag gesteld: "...moet een mens trouwen of ongehuwd blijven?", waarop het antwoord luidt: "Dat hangt af wat voor persoon u bedoelt. Als u doelt op iemand die in de wereld wil leven, die, al is hij een goed, ernstig theosoof en enthousiast werker voor onze zaak, nog banden en verlangens heeft die hem aan de wereld binden, kortom die niet het gevoel heeft dat hij voor altijd heeft afgedaan met wat men het leven noemt en maar één ding en niet meer verlangt  de waarheid te kennen en anderen te kunnen helpen  dan zeg ik dat er voor zo iemand geen reden is waarom hij niet zou trouwen...[B]ehalve in enkele uitzonderlijke gevallen van praktisch occultisme, is het huwelijk het enige middel tegen immoraliteit". Aldus de Sleutel. In het kader echter van de moderne relatieverhoudingen kunnen wij naast het huwelijk ook de 'vaste relatie' tussen mensen plaatsen, samenwonend of niet. Onder 'gewone' omstandigheden blijkt uit bovenstaande aanhalingen uit de Sleutel, is er geen reden om binnen het kader van een huwelijk of vaste relatie seksualiteit overboord te zetten. Zolang er een oprechte liefde tussen partners is, is seksualiteit een normale behoefte en een bevestiging naar elkaar van innige verbondenheid. De situatie verandert echter als deze liefde voor elkaar langzaam wordt vervangen door seksuele wellust en men voor elkaar een 'lustobject' wordt, waarmee vaak ook de aandacht en tederheid voor elkaar verdwijnen. Een dergelijk broeinest van wellustige begeerten gaat dan niet zelden op zoek naar een nieuwe seksuele 'kick', vaak gepaard met allerlei vormen van geweld en vernederingen zoals masochisme. Een vraag zou misschien kunnen luiden: Wat is die seksuele kracht en drang toch in de mens en waarom zoekt de mens altijd de lichamelijke bevrediging van die kracht in actie in een neerwaartse spiraal? Wellicht zou het antwoord kunnen luiden: De mens is in essentie een goddelijk wezen, wat inhoudt dat hij potentieel alle krachten van de Kosmos in zich draagt, zij het onbewust en meestal niet ontwikkeld. Dat houdt tevens in dat de mens een scheppend vermogen heeft, het vermogen om zichzelf te vermenigvuldigen als een afsplitsing van zichzelf, om als zodanig omstandigheden te creëren voor een reïncarnerende ziel, die als een 'zelfstandige unit' hetzelfde proces kan voortzetten. Door een gecompliceerd proces van de involutie van de Geest in de stof en vervolgens weer van de evolutie van de Geest uit de stof in het transformatieproces van de mensheid, zijn wij momenteel in de evolutiefase dat wij zijn gesplitst in mannen en vrouwen, die elkaar als wederhelften aanvullen en alleen samen kunnen zorgen voor nageslacht. Het vermogen om 'zichzelf' te vermenigvuldigen is in feite een goddelijke creatiekracht, dat een Heilig Mysterie kan worden genoemd. Helaas zijn de meeste mensen zich niet bewust van dit Goddelijk Mysterie en de Kosmische Kracht die ermee gepaard gaat. De seksuele kracht is een enorm geconcentreerd potentieel aan kosmische wordings-kracht, die, indien deze wordt aangewend om een 'nieuw' menselijk wezen voort te brengen, een deel van het pranische levenspotentieel van zowel de man als de vrouw 'afroomt' die de 'paringsdaad' verrichten, en dit samen als het ware schenken aan het 'nieuwe' menselijke wezen dat door deze daad ontstaat. Het betekent in feite dat beiden een deel van zichzelf inleveren om het nieuwe leven mogelijk te maken. Tot zover is dit een heilig gebeuren, mits dit gebeurt in liefde voor elkaar en met het verlangen om het ideaal van 'Gods Wetten' in het kroost te laten voortbestaan en aan hen te onderwijzen. Zodra het pad van die vorm van het elkaar seksueel benaderen wordt verlaten, kan er - strikt genomen - worden gesproken van een degeneratieverschijnsel en wordt de seksuele daad tot een 'minnespel', dat er  uiteindelijk  op is gericht om met elkaar de ultieme ervaring te hebben van de seksuele lichamelijke bevrediging. Op een dergelijke wijze omgaan met seksualiteit is niet zelden de oorzaak van allerlei ziekten, niet als een 'straf' van een of andere god, maar vanwege het feit dat op het reservoir aan levensfluïdum door veelvuldig 'misbruik' een aanslag wordt gepleegd en de natuurlijke immuniteitseigenschap van de pranische levensenergie voor een groot deel teniet wordt gedaan, zodat er te weinig overblijft om een gezond en een langdurig leven te leiden, want ook de lengte van een mensenleven wordt er flink door bekort. Zo is het ook gesteld met veelvuldig en langdurig masturberen, waarvan tevens wetenschappelijk is aangetoond dat dit concentratie- en geheugenverlies met zich meebrengt. Of bijvoorbeeld ruzies binnen relaties, waaraan 'seksuele problemen' ten grondslag liggen en waaruit veel ellende voortkomt. Een of beide partijen komen niet aan hun 'seksuele trekken', waardoor allerlei frustraties ontstaan, die op zich weer de oorzaak vormen van vaak woede, agressie en/of verdriet. Tevens is het najagen van het bevredigen van allerlei seksuele begeerten de 'dood' voor spiritualiteit. Het licht van de geest kan niet doordringen tot een denkvermogen dat bol staat van wellustige gedachten. Zij vindt er geen voedingsbodem. Het willen bevredigen van allerlei seksuele begeerten blijkt dus nogal wat gevolgen te hebben op verschillende terreinen. In een zekere fase van de evolutie van de mensheid schijnt men hieraan niet te ontkomen, getuige de huidige toestand in de wereld op dit terrein. De seksuele begeerte staat met stip nummer één op de ranglijst van aardse begeerten. Indien men zich echter niet verdiept in de achtergronden van de seksuele energie als een goddelijke drijfkracht binnen het kader van de evolutie van de mensheid en de haar omringende Natuur, en in het bijzonder in het licht van de mystieke leer omtrent de zevenvoudige samenstelling van mens en Kosmos zoals de Oude Wijsheid deze onderwijst, zal het uitermate moeilijk worden om de moderne vragen rond seksualiteit op een afdoende en verantwoorde manier te beantwoorden.

Homo- en biseksualiteit
Een andere kwestie is de vraag: Wat is in feite homo- en biseksualiteit en hoe ontstaat het? Is het een 'ziekte' zoals sommigen beweren of een 'afwijking'? Het blijft een vraag waar de moderne medische wetenschap, de seksuologie en de psychologie geen afdoend antwoord op kunnen geven, hun vele hypothesen ten spijt. Aangaande homo- of biseksualiteit is één ding zeker: het heeft als 'oorzaak' niets met de samenstelling of grootte van de hersenen te maken, en kan en hoeft ook niet 'genezen' te worden, want het is geen ziekte of een afwijking. Het heeft eerder te maken met een stadium van evolutie! Wellicht is bijvoorbeeld iemand die homoseksueel is een uitdrukking van gecombineerde, elkaar overlappende evolutionaire processen op lichamelijk, psychisch en mentaal gebied, waarbij het lichamelijke aspect polair Yang is ten opzichte van een psychisch polaire Yin-natuur, of waarbij het lichamelijke aspect polair Yin is en de psychische natuur polair Yang. Dit geldt zowel voor mannelijke als vrouwelijke homoseksuelen. In deze kwestie zou een vraag kunnen luiden: "Hoe kan bijvoorbeeld een man die lichamelijk èn psychisch 'Yin' is of een vrouw die lichamelijk èn psychisch 'Yang' is, toch in het eerste geval een mannelijk en in het tweede geval een vrouwelijk lichaam hebben?" Het antwoord zou kunnen zijn: "Omdat er in het eerste geval bij een dergelijke 'man' in 'zijn' gecombineerde mentaal-psychische natuur nog een dermate percentage Yang aanwezig is waar allerlei karmische oorzaken aan ten grondslag liggen, dat er op grond daarvan in de huidige incarnatie (nog) geen vrouwelijk lichaam uit evolueert. Niettemin zijn zowel het 'mannelijk' lichaam als 'zijn' psychische natuur vervuld van Yin-polaire kracht en kan 'hij' zichzelf niet anders uitdrukken dan wat hij mentaal-psychisch overwegend is: namelijk Yin! Was 'hij' mentaal-psychisch honderd procent Yin geweest op grond van zijn karma, dan zou 'hij' vrijwel zeker als 'volledige' vrouw zijn geïncarneerd. Hetzelfde geldt voor een 'vrouw' die zich een 'hij' voelt. Dit gehele proces kan echter ook worden omgedraaid: een man, mentaal-psychisch overwegend Yang, of een vrouw, metaal-psychisch overwegend Yin, die, in het eerste geval, op de rand staat om in de eerst volgende incarnatie volledig man te worden, en in het tweede geval volledig vrouw. Mensen die biseksueel zijn zitten in feite tussen deze twee processen in, wat op grond van het bovenstaande verschillende uitkomsten kan bieden in de volgende incarnatie. Waarom deze processen zich als zodanig in de Natuur voltrekken, is een karmische aangelegenheid, die ver teruggaat in de tijd van de evolutie van de mens. De mens is van oorsprong een bipolair wezen, dat zich evolutionair heeft 'gesplitst' in twee helften die tegengesteld zijn aan elkaar: de man en de vrouw. Echter binnen het kader van deze 'tegenstellingen' zijn er vele evolutionaire variaties mogelijk, die - uiteraard - allemaal karmisch van oorsprong zijn. De occulte processen die hieraan ten grondslag liggen zijn van een dermate moeilijkheidsgraad en voor een groot gedeelte zelfs geheim, zodat die kant van het proces op deze plaats niet verder besproken kan worden.
Nu zou ook een vraag kunnen luiden: Hoe zit het met de seksuele gevoelens van homoseksuelen? Die willen daar toch ook uiting aan geven? Hoe kan dit nu theosofisch worden gezien? Het antwoord zou kunnen zijn: Het karma dat een mens heeft gecreëerd in het/een vorig leven of een combinatie van vorige levens zorgt ervoor, dat hij of zij in een bepaalde incarnatie homoseksueel is. Indien er, in het geval van vrouwelijke homoseksuelen, geen man of kunstmatige inseminatie aan te pas komt om hen te bevruchten, bestaat er geen natuurlijke manier om kinderen voort te brengen. Dat wil echter nog niet zeggen dat zij geen seksuele behoeften hebben. Uiteraard hebben zij die. En in het kader van het bovenstaande is het dan logisch dat er 'mannen' zijn die zich tot 'mannen' voelen aangetrokken en 'vrouwen' die zich tot 'vrouwen' voelen aangetrokken. Alleen, zij kunnen zich van nature niet voortplanten. Hun zelf gecreeerde karma heeft hen - althans in dit leven - deze 'blokkade' opgelegd. De vraag is dan niet zozeer of homoseksuelen wel of geen 'seks' mogen hebben met elkaar - een vraag overigens die vanuit een werelds standpunt gezien belachelijk is -, maar eerder - homo of hetero - of een mens uit begeerte seks moet bedrijven met een partner als deze daad er niet op is gericht om nageslacht te verwekken. Generaliserend gesproken zou men dus op spiritueel-ethische gronden met kennis van de innerlijke natuur van de mens kunnen zeggen, dat seksualiteit als aangename begeertebeleving tussen partners - homo of hetero - een algemene 'afdwaling' is van de goddelijke bestemming van de mens en per definitie behoort tot zijn lagere beginselen, die, eveneens per definitie, zoals al eerder werd gezegd, altijd remmend werken op de ontplooiing van zijn spirituele essentie als er aan wordt toegegeven.

Theosofie en het celibaat
In talloze religieuze en filosofische geschriften uit de oudheid wordt de nadruk gelegd op een celibataire levenswijze indien men een religieus doel nastreeft. Hiervoor is een duidelijke reden. Eenvoudig gezegd komt het op het volgende neer: men kan geen 'twee heren' dienen. Met kan niet een werelds leven leiden, zelfs niet op een 'fatsoenlijke' manier, en aan de andere kant een leven geheel 'aan God' wijden. Helena Blavatsky drukt het als volgt uit in De Sleutel tot de Theosofie3: "...het [is]...onmogelijk zijn aandacht te verdelen tussen de beoefening van het occultisme en een echtgenote [of echtgenoot]. Probeert [men] dat wel, dan zal [men] er zeker niet in slagen beide goed te doen; ...het praktische occultisme [is] een veel te ernstige en gevaarlijke studie voor iemand..., tenzij [men] het heel ernstig meent en bereid is alles op te offeren, zichzelf in de eerste plaats, om zijn doel te bereiken. ...Ik doel alleen op hen die vastbesloten zijn dat pad van leerlingschap te betreden dat naar het hoogste doel leidt. De meesten...zijn maar beginnelingen, die zich in dit leven voorbereiden dat pad in toekomstige levens werkelijk te betreden". Helena Blavatsky spreekt hier echter over hen, die het Pad van Occultisme wensen te betreden en niet over mensen, die de zorg hebben voor een gezin, samen (getrouwd of niet) of niet samen wonen met een partner, maar desalniettemin een fatsoenlijk (seksueel) leven lijden en er ernstig naar streven de ethische beginselen van de Oude Wijsheid toe te passen in de praktijk van het dagelijks leven. Zoals al eerder naar voren werd gebracht, is daar niets mee aan de hand. Doch ook binnen een relatie of het gezinsleven kan men er naar streven om zoveel mogelijk naar het ideaal te leven van het meer spirituele leven. Dit is echter altijd een innerlijk groeiproces en kan niet geforceerd worden. Het lichaam 'onder de knoet' houden heeft geen enkele zin als men mentaal niet de juiste instelling heeft. Iets kan niet van buitenaf worden opgelegd. De overtuiging, de devotie aan het goddelijke en het streven om een heilig leven te leiden moet van binnenuit komen. Kijk naar mensen die strak vasthouden aan kerkelijke en religieuze dogma's, pauselijke dictaten en vermaningen van 'fatsoensrakkers' en priesters (die zelf maar al te vaak worden betrapt omdat zij 'de kat in het donker hebben geknepen'), zonder innerlijk te zijn gegroeid tot het maken van een bewuste keuze op basis van zelf verworven kennis, inzicht en levenservaring voor het leiden van een waarlijk spiritueel leven. In de meeste gevallen krijgen zij onherroepelijk te maken met ernstige psychische problemen door schuldgevoelens en tweestrijd, met alle gevolgen van dien. De mystieke en esoterisch-wetenschappelijke achtergrond van het waarom van het celibataire leven is gelegen in het feit, dat het toegeven aan seksualiteit een remmende factor is in het opbouwen van spirituele kracht. Het gaat hier namelijk om dezelfde energie, alleen in het eerste geval gaat deze energie 'verloren', en in het andere geval wordt deze scheppingskracht omgezet in een vitaal/spiritueel reservoir, waaruit men haast oneindig kan putten als deze energie wordt aangewend voor altruïstische hulp aan noodlijdende mensen, zowel in spirituele als in materiële zin. Maar dan dient men wel het denken volledig vereenzelvigd te hebben met de spirituele zijde van de Natuur, en met een onpersoonlijke liefde voor de mensheid als geheel dit uit te dragen op een praktische manier. In het denken mag geen restje van seksuele begeerte meer overblijven. Mevrouw Blavatsky waarschuwt hiervoor in haar artikel Praktisch Occultisme4 met de volgende woorden: "Het is...het denkvermogen - de enige schakel en middelaar tussen de aardse mens en het Hoger Zelf - dat er onder lijdt, en dat voortdurend in gevaar verkeert door de hartstochten, die elk ogenblik weer kunnen ontwaken, te worden meegesleurd, en om te komen in de afgrond van de materie. En hoe kan het zich ooit afstemmen op de goddelijke harmonie van het hoogste Beginsel, wanneer die harmonie wordt teniet gedaan door de aanwezigheid alleen al van zulke dierlijke hartstochten binnen het Heiligdom? Hoe kan harmonie zegevieren en blijven heersen, wanneer de ziel bezoedeld is en zich door de roerige hartstochten en de aardse begeerten van de lichamelijke zinnen...?". En op een andere plaats in het artikel zegt zij: "...welke minnaar of ware echtgenoot zou niet het geluk van elke andere man of vrouw om hem heen in scherven doen vallen, ten einde het verlangen van haar die hij liefheeft te bevredigen? Dit is slechts heel natuurlijk, zal men zeggen. Zeer zeker is dit het geval in het licht van de code van de menselijke genegenheden, maar minder in dat van de goddelijke universele liefde". Deze woorden geven aan, dat het geen zin heeft om enerzijds te streven naar een spiritueel leven, terwijl aan de andere kant wordt toegegeven aan allerlei aardse en seksuele begeerten. Van niemand echter kan het onmogelijke worden gevraagd. Zoals al eerder gezegd, er is niets mis met een fatsoenlijk gezinsleven of een relatie tussen twee mensen die veel van elkaar houden en op grond daarvan met elkaar vrijen. Doch indien beide partners samen de innerlijke drang en behoefte hebben om een meer spiritueel leven te lijden, dan kunnen zij hun seksuele kracht aanwenden voor een hoger doel.
In zijn boek Gandhi
5 zegt Eknath Easwaran over Gandhi, die in zijn jonge jaren als verpleger in de heuvels van Natal, Zuid-Afrika, de vele gewonde Zoeloes verzorgde die door de Britse soldaten meedogenloos waren mishandeld, dat hij tot het volgende inzicht kwam: "De zinloosheid van hun lijden [de Zoeloes] liet hem niet met rust. Dag en nacht, terwijl zij hun [de verplegers] brancards door het uitgestrekte, verlaten heuvelland van Natal droegen, was hij diep in gebed en zelfonderzoek verzonken, in een vurig zoeken naar grotere kracht om te dienen. De intensiteit van zijn verlangen voerde hem naar de oerbron van alle krachten. Diep in meditatie verzonken begon Gandhi in te zien hoeveel vitale energie zat opgesloten in zijn seksuele driften. In een golf van inzicht drong het tot hem door dat seks niet louter een fysiek instinct is, maar een uiting van gigantische spirituele kracht achter alle liefde en creativiteit die de hindoe-geschriften koendalini noemen, de levenskracht van de evolutie. Zijn hele leven was hij eraan onderhorig geweest, er willoos door heen en weer geslingerd. ...Ter plekke besloot hij er meester over te worden en zich er nooit meer door te laten beheersen. Dat was een beslissing die zijn diepste spanningen oploste en alle liefde die hij in zich had vrijmaakte en onder zijn bewuste beheersing bracht. Hij was begonnen de laatste van zijn hartstochten te transformeren in spirituele kracht". Gandhi's hele latere leven is een perfect voorbeeld geweest van wat een mens kan bereiken, als hij in staat is om zijn seksuele energie om te zetten in een werkzame, altruïstische kracht bij het dienen van de mensheid in waarheid, geweldloosheid en liefde. Het blijft echter altijd een individuele beslissing. Als twee mensen veel van elkaar houden of hevig verliefd zijn, gaat deze scheppingsenergie ook niet echt verloren tijdens het vrijen, maar 'laadt' men elkaar op. Omdat er liefde aan te pas komt - ook al is dat een liefde tussen twee mensen en derhalve een duo-egocentrische liefde en gerichtheid, maar niettemin liefde - voelt men zich na het vrijen sterk en vitaal en 'kan men de hele wereld aan'. Heel iets anders is het als mensen met elkaar vrijen om de seks. In dat geval is er een puur egoïstische, wellustige gerichtheid en gaat de levensenergie verloren. De algemene maatschappelijke term 'de liefde bedrijven' is dan ook volslagen misplaatst. Beide partners voeden elkaar niet met liefde en energie en stromen niet in elkaar over, omdat beiden met hun eigen bevrediging bezig zijn en elkaar gebruiken en misbruiken als object. Zij (vooral 'hij') vallen dan meestal na de 'daad' letterlijk en figuurlijk in slaap. Alle weerstand is gebroken en alle energie verspild.....

Seksualiteit is niet per se 'slecht', maar seks zonder liefde voor elkaar als lust is van een bedenkelijke aard. Eén ding is echter zeker: iedere vorm van wellustige seks die gepaard gaat met grof geweld en een grove dierlijke en duivelse drang naar een daad zoals verkrachting - in het bijzonder van kinderen - en bestiale seks, is per definitie een zware psychische ziekte. Het is te hopen dat zij die eraan lijden tot inzicht en bezinning komen of ertoe worden gebracht, omdat het één van de zekerste wegen is naar een ware hel.            

Ieders ('normale') seksuele leven is anders en iedereen dient zijn of haar eigen weg erin te vinden in relatie tot spiritualiteit. Met dit artikel is een poging gedaan een en ander nader te analyseren en openlijk te bespreken in het licht van de Theosofie.

_______
1. De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, samengesteld door A. Trevor Barker - Theosophical University Press -  Den Haag 1979 (Pag. 65).
2. De Sleutel tot de Theosofie door H.P. Blavatsky - Theosophical University Press - Den Haag 1985 (Pag. 244).
3. Idem (Pag. 244/245).
4. Praktisch Occultisme door H.P. Blavatsky - Uitgeverij der Theosofische Vereniging - Amsterdam 1973 (Pag. 43 en 46).
5. Gandhi door Eknath Easwaran - Uitgeverij AnkhHermes bv - Deventer 1997

Zie tevens:

* Tijdschrift Prana, december 1993/januari 1994 - nr. 80, artikel Seksualiteit en spiritualiteit door drs. Marcel Messing.
* Tijdschrift Sunrise, januari/februari 1988, artikel Theosofie en seksuele problemen door G. de Purucker.
* gedaan om het in het licht ervan nader te analyseren en openlijk te bespreken. Daarbij is zo voorzichtig mogelijk te werk gegaan.
Tijdschrift Sunrise, januari/februari 1989, artikel Enkele beschouwingen over "Theosofie en seksuele problemen" door G.F.K.
* Esoterisch Onderricht in de Oosterse School (E.O.O.S.) door G. de Purucker - Stichting I.S.I.S. - Den Haag 1987 (Deel I  pag. 409/410).
* De yogileer der ademhaling door Yogi Ramacharaka - Uitgeverij N. Kluwer N.V. - Deventer 1971 (Pag. 92/93).

De LotusCirkel
Bewustwording van de Eenheid van al het Bestaande